C-487/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    19 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    05 december 2017

Trefwoorden: spiegelcodes; afval; gevaarlijk; georganiseerde illegale handel

Onderwerp:
-           Besluit 2014/955/EU van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (hierna: besluit)
-           Verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (hierna: verordening).

Feiten:

In de periode van november 2016 tot januari 2017 hebben de rechter in eerste aanleg Rome en het openbaar ministerie bij decreet een reeks maatregelen van preventief beslag en bewijsbeslag gelast in een strafzaak waarin meer dan 30 personen ervan worden beticht afval waaraan spiegelcodes zijn toegekend, als niet-gevaarlijk te hebben aangemerkt voor ongeoorloofde doeleinden, op basis van gedeeltelijke, coulante en niet-uitputtende analyses. In het bijzonder worden zij verdacht van georganiseerde illegale handel in afval. In februari 2017 heeft de rechter in eerste aanleg Rome (hierna: Tribunale) beslist op de verzoeken tot herziening die door een aantal verdachten in het hoofdgeding waren ingediend. Bij drie afzonderlijke beschikkingen, waarbij hij de uitlegging door de openbare aanklager, die was gebaseerd op het vermoeden dat het om gevaarlijk afval ging, afwees, verklaarde hij de voormelde beslagmaatregelen nietig. De officier van justitie bij de districtsdirectie ter bestrijding van de maffia (hierna: Procuratore) heeft elk van die beschikkingen aangevochten op grond dat de Tribunale de argumenten van de verdachten zonder enige kritiek had gevolgd en daarmee de bepalingen van nationaal recht en van Unierecht ter zake van de indeling van afval met spiegelcodes onjuist had uitgelegd. Volgens de verdachten in het hoofdgeding is in het onderhavige geval niet voldaan aan de voorwaarden voor strafbare feiten bestaande in de georganiseerde illegale handel in afval, aangezien het onderzoek en de aanklacht zijn gebaseerd op het vermoeden dat afval met spiegelcodes gevaarlijk is, welk vermoeden in strijd is met de geest van de wet en concreet niet kan worden weerlegd. Er bestaat immers geen geschikte methode om alle of bijna alle componenten van afval te bepalen en dus kan indeling plaatsvinden op basis van analyse van een monster. Bovendien zijn sinds 01.06.2015 het besluit en de verordening van toepassing, die in die zin moeten worden uitgelegd dat bij het onderzoek naar het gevaarlijke karakter enkel rekening mag worden gehouden met stoffen die “relevant zijn uit het oogpunt van het productieproces”.

Overweging:

De verwijzende rechter zet uiteen dat, om uit te maken of in het hoofdgeding sprake is van strafbare feiten bestaande in de georganiseerde illegale handel in afval, en dus om vast te stellen of in dit concrete geval het betrokken afval, waaraan spiegelcodes zijn toegekend, juist is gekarakteriseerd en ingedeeld, dient te worden verduidelijkt wat de werkingssfeer is van het besluit en de verordening  en, bijgevolg, dient te worden bepaald op basis van welke analyses (chemische, microbiologische, enz.) moet worden nagegaan of dat afval gevaarlijke stoffen bevat, zodat het kan worden gekarakteriseerd en dienovereenkomstig ingedeeld door middel van toekenning van een code, hetzij voor gevaarlijk afval, hetzij voor niet-gevaarlijk afval.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de bijlage bij besluit 2014/955/EU en verordening (EU) nr. 1357/2014, wat de indeling betreft van afval waaraan spiegelcodes zijn toegekend, aldus worden uitgelegd dat de producent van afval waarvan de samenstelling niet bekend is, dat afval vooraf dient te karakteriseren en, zo ja, in hoeverre?

2) Moet het opsporen van gevaarlijke stoffen gebeuren volgens vooraf vastgestelde, uniforme methoden?

3) Moeten gevaarlijke stoffen worden opgespoord aan de hand van een nauwkeurig en representatief onderzoek waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling van het afval indien die al bekend is of bij het karakteriseren ervan is vastgesteld, of kunnen gevaarlijke stoffen ook worden opgespoord aan de hand van op waarschijnlijkheid gebaseerde criteria, waarbij wordt gekeken naar die stoffen welke redelijkerwijs in het afval aanwezig kunnen zijn?

4) Dient afval, bij twijfel of wanneer het onmogelijk is om de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen daarin met zekerheid vast te stellen, op grond van het voorzorgsbeginsel niettemin als gevaarlijk te worden ingedeeld en behandeld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: