C-49/17 Koppers Denmark

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   21 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       07 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   07 mei 2017

Trefwoorden: belasting op energie/elektriciteit; begrip ‘energieproduct’

Onderwerp: - richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (Pb 2003, L 283, blz. 51)

Verzoekster produceert door middel van raffinage en destillatie met name (koolteer)pek en daarnaast oplosmiddel (3 à 4% van haar totale productie). De stoffen zijn ingedeeld in GN-codes 2707 of 2708. Het oplosmiddel is het enige product dat door verzoekster als brandstof wordt gebruikt en daarom onderworpen is aan energiebelasting. Verzoekster heeft verklaard dat zij de enige producent van de groep is die oplosmiddel op deze – volgens haar – milieubewuste manier gebruikt, omdat andere producenten oplosmiddel mengen in de verkochte producten. Alle door verzoekster geproduceerde producten kúnnen als brandstof worden gebruikt. Verzoekster beschikt over twee installaties (voor destillatie uit de jaren 80 en voor productie van naftaleen uit de jaren 90) die met elkaar verbonden zijn en gebruik maken van een gezamenlijke warmtebron en procescontrolesysteem. De residuen worden verder verwerkt, waaronder het oplosmiddel dat door de naftaleeninstallatie wordt geproduceerd. Verzoekster heeft eerder het oplosmiddel aangegeven als onderworpen aan energiebelasting maar bij brieven van 13-11-2008 en 22-12-2008 heeft zij teruggave verzocht over de periode 01-10-2005 – 31-12-2007. Verweerster (DEN belastingdienst) heeft vrijstelling afgewezen omdat het oplosmiddel niet wordt gebruikt voor de productie van gelijkwaardige energie, aangezien de geproduceerde producten niet belastbaar zijn. Verzoekster maakt bezwaar bij de nationale belastingcommissie en vraagt daarnaast de EURCIE om nadere uitleg van artikel 21.3 van RL 2003/96 (die later bij het dossier wordt gevoegd). De belastingcommissie bevestigt het besluit van verweerster, met name omdat verzoeksters verbruik van oplosmiddel als brandstof niet valt onder artikel 21.3 van de RL: het oplosmiddel wordt niet gebruikt voor de productie van energieproducten die binnen de werkingssfeer van de RL vallen. Verzoekster gaat 07-09-2015 in beroep bij de Rb Svendborg die de zaak vanwege de principiële kwestie doorverwijst naar de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende DEN rechter (Regionale rechter van het Oosten van Denemarken) voert verzoeker aan dat haar verbruik van oplosmiddel als brandstof onder de belastingvrijstelling van artikel 21.3 van RL 2003/96 valt, aangezien met dat verbruik de productie van energieproducten (GN 2707 of 2708) in de zin van artikel 2.1 b van de RL wordt beoogd. Het artikel geeft een omvattende en nauwkeurige definitie van het begrip ‘energieproduct’ en die moet bij toepassing van alle bepalingen van de RL worden gebruikt, ongeacht het gebruik van het product. Verzoekster wijst op de informatie die zij van de EURCIE heeft ontvangen waarin aangegeven dat het feit dat de geproduceerde energieproducten niet belastbaar zijn niet afdoet aan het feit dat het gaat om ‘energieproducten’ in de zin van de RL en dat artikel 21.3 (belastingvrijstelling) dus van toepassing is. Verweerster blijft erbij dat vrijstelling alleen mogelijk indien zowel de verbruikte als de geproduceerde energieproducten door de RL worden beheerst. Verzoeksters verbruik van het energieproduct, het oplosmiddel, vindt plaats in de installatie voor koolteerdestillatie, waar het oplosmiddel wordt verbrand. De installatie voor koolteerdestillatie produceert een aantal energieproducten, maar geen van deze energieproducten wordt gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof. De RL staat dan ook niet in de weg staat aan de heffing van belasting over het oplosmiddel. Zij verwijst daarvoor naar de laatste zin van artikel 2.4 van de RL. Zij stelt dat artikel 21.3 slechts tot doel heeft dubbele belasting te vermijden. Zij vindt steun voor haar visie in het arrest Fendt Italiana. Voor de verwijzende rechter hangt de uitkomst van het geding af van de uitleg van artikel 21.3 van RL 2003/96. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moet artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit aldus worden uitgelegd dat het verbruik van zelf geproduceerde energieproducten voor de productie van andere energieproducten van belasting is vrijgesteld in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de geproduceerde energieproducten niet worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof?

2. Moet artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit aldus worden uitgelegd dat lidstaten de werkingssfeer van de vrijstelling mogen beperken tot uitsluitend het verbruik van een energieproduct dat wordt gebruikt voor de productie van een gelijkwaardig energieproduct (dat wil zeggen een energieproduct dat, net zoals het verbruikte energieproduct, ook belastbaar is)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-145/06 en C-146/06 Fendt Italiana

Specifiek beleidsterrein: FIN, EZ

 

Gerelateerde documenten