C-491/17 Hoteles

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    03 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    19 november 2017

Trefwoorden:  verzekeringen; rechterlijke bevoegdheid; aansprakelijkheid

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

Feiten:

Hotelonderneming Hoteles is eigenaar en exploitant van een hotel in Tenerife, Spanje. Eiser heeft zijn woonplaats in het Verenigd Koninkrijk. Op 26.10.2006 heeft eiser ernstig letsel opgelopen als gevolg van een ongeval in het hotel. Hoteles had een aansprakelijkheidsverzekering. Op 28.10.2011 heeft eiser overeenkomstig artikel 11(2) van verordening 44/2001 in Engeland een rechtszaak aangespannen tegen de verzekeraar, waarbij hij zich baseerde op het hem onder Spaans recht toekomende recht om een rechtstreekse vordering in te stellen. In zijn verweerschrift van 29.05.2012 heeft de verzekeraar erkend gehouden te zijn eiser schadevergoeding te betalen, maar eiser opgeroepen het causaal verband te bewijzen en de omvang van zijn schade aan te tonen. De verzekeraar stelde bovendien dat hij op basis van de betreffende polis slechts gehouden was de schadevergoeding tot een maximum van €601.012,10 inclusief gerechtskosten te betalen. Op 06.07.2012 verzocht eiser om de hotelonderneming op grond van artikel 11(3) als tweede verweerder in het geding te roepen. Zijn verzoek werd toegewezen en een gewijzigde dagvaarding en bijzonderheden omtrent de eis zijn aan de hotelonderneming betekend. Op 11.11.2012 heeft de hotelonderneming de bevoegdheid van de rechterlijke instantie betwist. Deze betwisting werd in zowel eerste als tweede aanleg afgewezen. Op 03.11.2015 heeft de hotelonderneming toestemming gekregen voor een hogere voorziening bij de Supreme Court. Het staat vast dat eiser bij de Engelse rechterlijke instantie waarschijnlijk een hogere schadevergoeding zal krijgen dan het geval zou zijn bij een Spaanse rechterlijke instantie.

De hotelonderneming stelt o.a. dat afdeling 3 van verordening 44/2001 beperkt moet worden uitgelegd. Daarnaast zou de afdeling slechts betrekking hebben op vorderingen in verzekeringszaken; de hotelonderneming zou alleen als verzekerde mogen worden opgeroepen indien het geding betrekking heeft op de dekking van de verzekering. Ook moeten de vorderingen van eiser tegen verzekeraar en verzekerde zo nauw met elkaar in verband staan dat het opportuun is om ze tezamen te beoordelen teneinde te vermijden dat er onverenigbare arresten worden gewezen.

Volgens eiser moet afdeling 3 van de verordening rechtlijnig worden opgevat omdat het bedoeld is ter ondersteuning van eisers die in het algemeen in een zwakkere positie verkeren dan de gedaagden. Volgens eiser ligt het juist voor de hand om de nauw met elkaar verbonden vorderingen gezamenlijk te beslechten omdat parallel lopende processen in verschillende rechtsordes in tegenstrijdige uitkomsten kunnen eindigen.

Overweging:

De Supreme Court, die in laatste instantie uitspraak doet, is van oordeel dat in deze zaak alleen een beslissing kan worden gegeven indien de prejudiciële vragen worden beantwoord.

Prejudiciële vragen:

1) Is voor toepassing van artikel 11, lid 3, vereist dat de vordering van de gelaedeerde tegen de polishouder/verzekerde in die zin een verzekeringskwestie betreft dat hierbij een vraag over de geldigheid of dekking van de polis aan de orde is?

2) Is voor toepassing van artikel 11, lid 3, vereist dat er een gevaar van onverenigbare arresten dreigt indien geen oproeping in het geding wordt toegestaan?

3) Beschikt een gerechtelijke instantie over discretionaire ruimte bij de beslissing om in geval van een vordering waarop artikel 11, lid 3, van toepassing is, oproeping in het geding toe te staan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein:  VenJ