C-492/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    10 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    26 november 2017

Trefwoorden: steunmaatregel; omroepbijdrage; discriminatie; media

Onderwerp:
-           VWEU, met name de artikelen 107 en 108;
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
-           Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten.

Feiten:

Sinds 2013 wordt in Baden-Württemberg op basis van het tussen de Duitse deelstaten gesloten nationale omroepverdrag in plaats van het tot dan toe bestaande kijk- en luistergeld een omroepbijdrage geheven ter financiering van de publieke omroep. Volgens §2 van de wet betreffende de gelding van het nationale verdrag inzake de omroepbijdrage van (hierna: RdFunkBeitrStVtrBW) dient de bijdrage in de particuliere sfeer te worden betaald voor elke woning door de eigenaar ervan (schuldenaar van de bijdrage), waarbij als eigenaar van een woning wordt beschouwd iedere volwassen persoon die de woning zelf bewoont. In elk van de zes onderhavige gevallen is de Südwestrundfunk (SWR), in 2016 tot executie overgegaan op basis van een door haarzelf opgesteld verzoek tot tenuitvoerlegging (als uitvoerbare titel), zonder tussenkomst van de rechter. Zij baseerde dit optreden op besluiten tot bepaling van de bijdrage die zij vooraf zelf had vastgesteld en die bedragen van meestal meerdere honderden euro’s betroffen voor tijdvakken tussen januari 2013 en eind 2016 (bijvoorbeeld €725,98 inclusief aanmaningskosten en vertragingsboete). Het Amtsgericht heeft drie van deze executieprocedures naar aanleiding van door de schuldenaren ingestelde beroepen geschorst. In de andere procedures heeft het Amtsgericht de beroepen van de schuldenaren afgewezen. Tegen die beslissing van de Amtsrichter hebben de respectieve in het ongelijk gestelde partijen, dat wil zeggen in drie procedures de schuldeiseres, in de andere drie procedures de schuldenaren, beroep ingesteld bij het Landgericht Tübingen.

Overweging:

De prejudiciële vragen hebben betrekking op de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het Unierecht. Het gaat in eerste instantie om vraagstukken van tenuitvoerleggingsrecht. Volgens de nationale bepalingen gelden voor de schuldeiseres aanzienlijke afwijkingen ten opzichte van de executoriale maatregelen waarover andere schuldeisers beschikken. De nationale regeling inzake de tenuitvoerlegging is in de nationale wet betreffende de omroepbijdrage zo nauw met de materiële regels verbonden dat de verwijzende rechter zich gedwongen ziet de gehele als grondslag dienende nationale regelgeving inzake de omroepbijdrage te betrekken bij de prejudiciële verwijzing.

Prejudiciële vragen:

1) Is het door de deelstaat Baden-Württemberg op 18 oktober 2011 vastgestelde Gesetz zur Geltung des Rundfunkbeitragsstaatsvertrags vom 17. Dezember 2010 (wet betreffende de gelding van het nationale verdrag inzake de omroepbijdrage van 17 december 2010; hierna: „RdFunkBeitrStVtrBW”), dat laatstelijk is gewijzigd bij artikel 4 van het Neunzehnte Rundfunkänderungsstaatsvertrag (negentiende gewijzigde nationale omroepverdrag) van 3 december 2015 (wet van 23 februari 2016 – publicatieblad van Baden-Württemberg, blz. 126, 129) onverenigbaar met het Unierecht omdat de bijdrage die uit hoofde daarvan sinds 1 januari 2013 in beginsel door iedere volwassen inwoner van de Duitse deelstaat Baden- Württemberg onvoorwaardelijk dient te worden betaald ten gunste van de omroepen SWR en ZDF, moet worden beschouwd als een met het Unierecht onverenigbare steunmaatregel ten behoeve van uitsluitend die publieke omroepen, maar niet van commerciële omroepen? Dienen de artikelen 107 en 108 VWEU aldus te worden uitgelegd dat voor de wet inzake de omroepbijdrage de toestemming van de Commissie vereist was en die wet bij gebreke daarvan ongeldig is?

2) Dienen de artikelen 107 en 108 VWEU aldus te worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de in de RdFunkBeitrStVtrBW-wet vastgelegde regeling uit hoofde waarvan in beginsel iedere volwassen inwoner van de deelstaat Baden-Württemberg onvoorwaardelijk verplicht is een bijdrage te betalen ten gunste van uitsluitend overheidsomroepen/publieke omroepen omdat die bijdrage neerkomt op een met het Unierecht onverenigbare begunstigende steunmaatregel strekkende tot technische uitsluiting van omroepen uit andere lidstaten van de Unie, gezien het feit dat de bijdragen ertoe worden gebruikt een concurrerende vorm van transmissie tot stand te brengen (DVB-T2 – Monopol) waarvoor niet is bepaald dat zij door buitenlandse omroepen zal kunnen worden benut? Dienen de artikelen 107 en 108 VWEU aldus te worden uitgelegd dat zij ook van toepassing zijn op indirecte financiële steun en op andere economisch relevante privileges (recht om executoriale titels vast te stellen, bevoegdheid om als onderneming en als overheidsinstantie op te treden, betere positie bij de berekening van schulden)?

3) Is het verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van begunstigende steunmaatregelen dat op grond van een wet van de deelstaat Baden-Württemberg een Duitse televisieomroep die weliswaar is opgezet als overheidsinstantie met een publieke grondslag, maar tegelijkertijd op de reclamemarkt concurreert met commerciële zenders, ten opzichte van die commerciële zenders wordt begunstigd doordat hij zich, anders dan zijn commerciële concurrenten, niet tot de gewone rechter hoeft te wenden om voor zijn vorderingen ten opzichte van kijkers een executoriale titel te verkrijgen alvorens hij tot tenuitvoerlegging kan overgaan, maar zelf, zonder tussenkomst van de rechter, executoriale titels kan vaststellen waarmee hij tot tenuitvoerlegging kan overgaan?

4) Is het verenigbaar met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, respectievelijk artikel [11] van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (vrijheid van informatie) dat een lidstaat in een wet van de deelstaat Baden- Württemberg bepaalt dat een tv-omroep die is opgezet als overheidsinstantie van iedere volwassen inwoner in het omroepgebied op straffe van een geldboete een bijdrage mag verlangen ter financiering van juist die omroep, ongeacht of de betrokkene over een ontvangstapparaat beschikt en of hij enkel gebruikmaakt van de diensten van andere zenders, hetzij buitenlandse, hetzij commerciële?

5) Is de RdFunkBeitrStVtrBW-wet, in het bijzonder de §§ 2 en 3 daarvan, verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie indien de ter financiering van een publieke tv-omroep door iedere bewoner onvoorwaardelijk te betalen bijdrage een alleenstaande moeder naar verhouding vele malen zwaarder treft dan een lid van een woongemeenschap? Moet richtlijn 2004/113/EG aldus worden uitgelegd dat deze ook van toepassing is op de litigieuze omroepbijdrage en dat een indirecte discriminatie reeds moet worden aangenomen wanneer het feitelijk voor 90 % vrouwen zijn die zwaarder worden belast?

6) Is de RdFunkBeitrStVtrBW-wet, in het bijzonder de §§ 2 en 3 daarvan, verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie indien de ter financiering van een publieke tv-omroep door iedere bewoner onvoorwaardelijk te betalen bijdrage twee keer zo hoog is voor personen die om professionele redenen een tweede woning nodig hebben dan voor andere economisch actieve personen?

7) Is de RdFunkBeitrStVtrBW-wet, in het bijzonder de §§ 2 en 3 daarvan, verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie en met de Unierechtelijke vrijheid van vestiging indien de ter financiering van een publieke tv-omroep door iedere bewoner onvoorwaardelijk te betalen bijdrage impliceert dat een Duitser die in Duitsland vlakbij de grens met een EU-buurland woont, uitsluitend op grond van de ligging van zijn woning de bijdrage verschuldigd is, terwijl een Duitser die net over de grens woont – en over dezelfde ontvangstmogelijkheid beschikt als eerstgenoemde Duitser – die bijdrage niet verschuldigd is, net zoals onderdanen uit andere lidstaten van de Unie die zich om professionele redenen op Duits grondgebied net over de grens moeten vestigen de bijdrage verschuldigd zijn en EU-burgers die zich aan gene zijde van de grens vestigen niet, ook al hebben de betrokkenen in beide gevallen geen belangstelling voor het ontvangen van de Duitse zender?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Duitsland/Commissie C-544/09 P; Bayerischer Rundfunk e.a. C-337/06;

Specifiek beleidsterrein: OCW; FIN-fiscaal