C-494/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    04 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    20 november 2017

Trefwoorden: arbeidsrecht; arbeidsovereenkomsten

Onderwerp:

-           Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Feiten:

Verzoeker is een accordeondocent die sinds 18.11.2003 ononderbroken in dienst is geweest bij verweerder (Conservatorio F.A. Bonporti) op basis van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd. Verzoeker heeft op 20.12.2011 een rechtszaak aanhangig gemaakt bij de rechter in eerste aanleg en daarbij gevorderd dat de clausules waarmee een termijn aan de afzonderlijke overeenkomsten werd gesteld onwettig worden verklaard, en dat de arbeidsverhouding wordt omgezet in een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd of, subsidiair, dat schadevergoeding wordt betaald voor misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in strijd met richtlijn 1999/70, althans dat met het oog op de bezoldiging de opgebouwde anciënniteit wordt erkend in toepassing van het beginsel van non-discriminatie als bedoeld in clausule 4 van deze richtlijn. De rechter in eerste aanleg heeft bij vonnis alleen de vordering tot erkenning van de opgebouwde anciënniteit met het oog op de bezoldiging toegewezen; misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft deze rechter daarentegen uitgesloten overeenkomstig de door de hoogste rechterlijke instantie ontwikkelde beginselen betreffende het specifieke karakter van de regelgeving inzake vervanging van personeel in de onderwijssector. Het ministerie van Onderwijs, Universiteit en Onderzoek heeft op 05.03.2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis voor zover daarin de gedurende de overeenkomsten voor bepaalde tijd opgebouwde anciënniteit werd erkend. Op 31.05.2013 heeft verzoeker incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis voor zover daarin werd uitgesloten dat er sprake was van misbruik door opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, en derhalve zijn vorderingen tot omzetting van de arbeidsverhouding in een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd en tot schadevergoeding werden afgewezen. De procedure is meerdere keren verdaagd in afwachting van het arrest van het Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van de nationale regeling van artikel 4 van wet nr. 124/99 met clausule 5, punt 1, van richtlijn 1999/70 en vervolgens in afwachting van het arrest van het grondwettelijk hof die de vraag aan het Hof had voorgelegd, en het arrest van hoogste rechterlijke instantie volgend op de uitspraak van het grondwettelijk hof.

Overweging:

Het gevolg voor het geding dat de verwijzende rechter moet beoordelen – waarin is vastgesteld dat de onderwijspost voor accordeon van verweerder een permanente en blijvende behoefte was die elf jaar lang werd bezet op grond van overeenkomsten voor bepaalde tijd – is dat bij toepassing van de vermelde bepalingen, zoals gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het grondwettelijk hof en uitgelegd door de hoogste rechterlijke instantie, de vordering van verzoeker moet worden afgewezen, aangezien hij enerzijds geen recht heeft op omzetting van de arbeidsverhouding, welke mogelijkheid niet van toepassing is op arbeid in overheidsdienst, en anderzijds evenmin recht heeft op schadevergoeding omdat hij op grond van zijn plaats in de ranglijst in vaste dienst is genomen bij overeenkomst van 02.09.2015 op basis van ‘reeds bestaande selectiemethoden/vergelijkend onderzoek’, zoals die voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet nr. 107/15 werden toegepast. Het valt te betwijfelen of een dergelijk gevolg rechtmatig is in het licht van de richtlijn en de beginselen die het Hof heeft vastgesteld in het arrest Mascolo, en het lijkt derhalve noodzakelijk om het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen over de uitlegging van clausule 5, punt 1, van richtlijn 1999/70/EG, in samenhang met de geschiktheid van artikel 1, leden 131 en 132, en artikel 1, lid 95, van wet nr. 107 van 2015 om te kunnen worden aangemerkt als maatregelen die evenredig, voldoende effectief en afschrikkend zijn om de volle werking van clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst te verzekeren wat de schending van deze overeenkomst wegens misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd betreft in de periode voorafgaand aan die waarin de maatregelen van de genoemde bepalingen gevolgen moeten sorteren.

Prejudiciële vragen:

Moet clausule 5, punt 1, van de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de toepassing van artikel 1, leden 95, 131 en 132 van Italiaanse wet nr. 107 van 2015, die voorzien in de vaste aanstelling van docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de toekomst, zonder terugwerkende kracht en zonder schadevergoeding, als evenredige, voldoende effectieve en afschrikkende maatregelen om de volle werking van de bepalingen van de raamovereenkomst te verzekeren wat de schending van deze overeenkomst wegens misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd betreft in de periode voorafgaand aan die waarin de maatregelen van de genoemde bepalingen gevolgen moeten sorteren.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Mascolo e.a. C-22/13, C-61/13 - C-63/13 en C-418/13.

Specifiek beleidsterrein:  SZW