C-501/17 Germanwings

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    06 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    22 november 2017

Trefwoorden: compensatie luchtpassagiers; uitzondering

Onderwerp:

-           verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening)

Feiten:

Verzoeker vordert van verweerster (Germanwings) compensatie ten bedrage van €250,- op grond van de verordening. Hij boekte bij verweerster voor 28.08.2015 een vlucht van Dublin naar Düsseldorf. Het toestel kwam met een aankomstvertraging van meer dan drie uur in Düsseldorf aan. Verweerster voert tegen de vordering tot compensatie van verzoeker aan dat bij de voorbereidende werkzaamheden in een band van het vliegtuig een schroef was ontdekt. Om die reden moest de band worden verwisseld, waardoor de afhandeling van de vlucht werd vertraagd. Verweerster is van mening dat het gaat om een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5(3) van de verordening, op grond waarvan zij van aansprakelijkheid is ontheven en bijgevolg niet verplicht is compensatie te betalen. De rechter in eerste aanleg heeft verweerster veroordeeld tot betaling van €250,- vermeerderd met rente. De rechter heeft daarbij de door verzoeker betwiste verklaring van verweerster met betrekking tot de oorzaak van de grote vertraging bij aankomst in Düsseldorf als juist aanvaard, maar daarbij opgemerkt dat verweerster daardoor niet is vrijgesteld van haar verplichting om compensatie te betalen, aangezien de beschadiging van een band van een vliegtuig door een schroef op de start- of landingsbaan een omstandigheid is die onder de normale vluchtuitvoering valt, waarop daadwerkelijk invloed kan worden uitgeoefend. Tot de activiteiten die binnen de invloedssfeer van de luchtvaartmaatschappij liggen, behoren volgens de rechter niet alleen de vluchtuitvoering in engere zin, zoals de start, de vlucht en de landing, maar ook alle andere afgenomen luchtvaartdiensten, zonder welke een normale vluchtuitvoering niet mogelijk is, zoals het Hof heeft gepreciseerd in zijn beschikking in Siewert (C-394/14). Verweerster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg. Zij stelt dat de rechter de invloedssfeer van verweerster te ruim opvat en voorbijgaat aan het feit dat het Hof niet heeft geoordeeld dat alle door een derde verrichte en door de luchtvaartmaatschappij afgenomen luchtvaartdiensten tot de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij moeten worden gerekend. De onderhavige situatie zou niet vergelijkbaar zijn met de zaak Siewert (C-394/14). In casu raakte het vliegtuig bij toeval beschadigd doordat het gebruik maakte van de start- en landingsbaan die door alle luchtvaartmaatschappijen op dezelfde wijze wordt gebruikt. Dit gebruik is volgens verweerster derhalve onderdeel van het algemene luchtverkeer en geen specifieke taak van de luchtvaartmaatschappij. Ook het schoonmaken van de start- en landingsbanen behoort volgens verweerster niet tot het werkterrein van de luchtvaartmaatschappij, waardoor verweerster daarop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.

Overweging:

Voor de beslissing op het hoger beroep acht de verwijzende rechter een prejudiciële beslissing van het Hof noodzakelijk door beantwoording van de prejudiciële vraag. Of de door verweerster aangevoerde schadeveroorzakende gebeurtenis moet worden gekwalificeerd als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5(3) van de verordening, hangt af van de definitie van het begrip ‘buitengewone omstandigheid’ en daarmee van de uitlegging van de bepaling, die in geval van twijfel is voorbehouden aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

Vormt de beschadiging van een vliegtuigband door een op de start- of landingsbaan liggende schroef (vreemd voorwerp/FOD) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Siewert C-394/14; Pešková en Peška C-315/15; van der Lans C-257/14;

Specifiek beleidsterrein: IenM