C-502/17 C&D Foods Acquisition

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    04 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    20 november 2017

Trefwoorden: btw; verkoop aandelen; belastingaftrek

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn).

Feiten:

Er is beroep ingesteld tegen een beschikking van verweerder (SKAT, de Deense douane- en belastingautoriteit), waarbij verzoekster (C&D Foods) het recht is ontzegd om de btw af te trekken over kosten die zij in 2009 heeft gemaakt voor – door externe adviseurs uitgevoerde – due-diligenceonderzoeken etc. met betrekking tot een voorgenomen maar niet gerealiseerde verkoop van alle aandelen in A/S Arovit Petfood (hierna: dochteronderneming).

Verzoekster maakt deel uit van een internationale groep (hierna: Arovit-groep) die actief is op het gebied van de productie en verkoop van diervoeder. De Arovit-groep bestond op het voor het hoofdgeding relevante tijdstip in de Nederlandse onderneming AH Acquisitions B.V., die eigenaar was van verzoekster, die Arovit Holding ApS in handen had. Laatstgenoemde onderneming was de eigenaar van A/S Arovit Petfood, die eigenaar was van het resterende deel van de groep, namelijk 13 in verschillende Europese landen gevestigde ondernemingen. Vóór 01.03.2007 bestond de hoofdactiviteit van verzoekster in de eigendom van Arovit Holding ApS, maar op 01.03.2007 sloot verzoekster een beheersovereenkomst met de dochteronderneming ter zake van de verrichting van btw-plichtige diensten ten behoeve van de dochteronderneming op het gebied van beheer en IT. In 2009 was de IJslandse financiële instelling Kaupthing Bank de uiteindelijke moedermaatschappij van de Arovit-groep. Het was niet de bedoeling van Kaupthing Bank om de Arovit-groep langdurig in eigendom te hebben, dus werd er contact opgenomen met een aantal adviseurs om de dochteronderneming met de bijbehorende dochterondernemingen te vervreemden. De adviseurs factureerden aan verzoekster lopende zogenoemde due-diligencekosten voor hun werkzaamheden. Aan Kaupthing Bank en andere werden geen kosten doorberekend. In de periode vóór medio juli 2009 bedroegen de door verzoekster gemaakte consultancykosten in totaal 15.598.256 DKK exclusief btw. In haar btw-aangifte over 2009 vermeldde de onderneming een btw-aftrek ten bedrage van 3.783.816 DKK ter zake van deze kosten. Omdat geen koper kon worden gevonden, werden in de herfst van 2009 de verkooppogingen gestaakt en bleken de consultancykosten dus voor niets te zijn gemaakt. De SKAT weigerde bij beschikking van 26.01.2012 om verzoekster de btw-aftrek toe te staan. Deze beschikking werd door de hoogste bestuurlijke instantie voor fiscale aangelegenheden in stand gelaten op grond dat de consultancydiensten niet waren verricht ten behoeve van verzoekster, en dat de kosten niet – zoals vereist – verband hielden met btw-plichtige handelingen van verzoekster aan de outputzijde. Tegen de aldus gehandhaafde beschikking is beroep ingesteld bij de rechter in eerste aanleg die de zaak – gelet op het principiële karakter ervan – heeft verwezen naar de rechter voor het westen van Denemarken, die derhalve in eerste aanleg uitspraak dient te doen.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of een holding recht heeft op aftrek van voorbelasting in de situatie van het hoofdgeding. De verwijzende rechter acht het daarom noodzakelijk het Hof te verzoeken om opheldering verschaffen over de criteria en uitleggingsgegevens met betrekking tot de btw-richtlijn die beslissend zijn voor de vraag of een holding de btw kan aftrekken die zij heeft betaald over kosten die verband houden met een voorgenomen maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een dochteronderneming ten behoeve waarvan de holding diensten op het gebied van beheer en IT verricht. In dit verband zij opgemerkt dat de vraag wie uiteindelijk de btw-plichtige consultancykosten draagt, geen deel uitmaakt van de vragen ten aanzien waarvan de verwijzende rechter het Hof verzoekt om een beslissing.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat een holding in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht heeft op de volledige aftrek van de btw over de kosten van diensten in een eerder stadium die verband houden met due-diligenceonderzoeken die zijn uitgevoerd in het vooruitzicht van een voorgenomen maar niet gerealiseerde verkoop van aandelen in een dochteronderneming ten behoeve waarvan de holding btw-plichtige diensten op het gebied van beheer en IT verricht?

2) Is het voor de beantwoording van de voorgaande vraag van belang of de prijs voor de btw-plichtige diensten op het gebied van beheer en IT die de holding in het kader van haar economische activiteiten verricht, een vast bedrag is dat overeenkomt met de loonkosten van de holding, vermeerderd met een winstmarge van 10%?

3) Ongeacht hoe de voorgaande vragen worden beantwoord: kan sprake zijn van een recht op aftrek van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde consultancykosten als algemene kosten en, zo ja, onder welke voorwaarden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt C-108/14 en C-109/14; Fini H C-32/03; Midland Bank C-98/98; Abbey National C-169/04; Cibo Participations C-16/00; Kretztechnik C-465/03; Securenta C-437/06; AB SKF C-29/08; BLP Group C-4/94; Becker C-104/12; Inzo C-110/94; Rompelman C-268/83; X C-651/11.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal