C-512/17 HR

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    23 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    09 december 2017

Trefwoorden: familierecht; bevoegdheid

Onderwerp:
-           verordening (EG) nr. 2201/2003 nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1, zoals gewijzigd (hierna: verordening).

Feiten:

MO is geboren op 16.04.2015 te Brussel. Zij is de dochter van verzoekster (HR), Pools staatsburger, en de andere partij bij de procedure (hierna: KO), Belgisch staatsburger. Het kind heeft de Poolse en de Belgische nationaliteit. Verzoekster heeft op 10.10.2016 de rechter in eerste aanleg verzocht om de verblijfplaats van haar dochter vast te stellen als iedere verblijfplaats van de moeder en om het omgangsrecht van KO vast te stellen. In februari 2017 heeft KO zich tot een Brussels gerecht gewend met betrekking tot het ouderlijk gezag. De behandeling van de zaak is geschorst vanwege de in Polen ingeleide procedure in deze zaak. Bij beschikking van 02.11.2016 heeft de rechter in eerste aanleg het verzoek afgewezen wegens internationale onbevoegdheid. In de motivering van de beschikking zette de rechter uiteen dat verzoekster in België werkte en dat haar dochter bij haar woonde. Hij leidde hieruit af dat Brussel de gewone verblijfplaats van het kind en van de moeder was. Het feit dat verzoekster vaak met het kind haar familie in Polen bezocht en dat zij eigenaresse was van een woning in Polen veranderde hier niets aan. Op 17.11.2016 heeft verzoekster hoger beroep op formele gronden ingesteld tegen deze beschikking, deze in haar geheel betwist, en om vernietiging ervan verzocht. KO heeft in zijn memorie van repliek geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep op formele gronden in zijn geheel wegens onbevoegdheid van de Poolse rechter. Bij beschikking van 28.03.2017 heeft de rechter in tweede aanleg de bestreden beschikking vernietigd, omdat hij van oordeel was dat de Poolse rechter in casu bevoegd was. In de motivering van deze beschikking gaf de rechter uitleg aan het begrip “gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8(1) van de verordening. Volgens de rechter in tweede aanleg moet het begrip gewone verblijfplaats van het kind verwijzen naar de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt en niet eenvoudigweg naar de plaats waar het op dat moment woont. Na de vernietiging van de beschikking waarbij het verzoek was afgewezen heeft de andere partij tijdens de latere procedure bij de rechter in eerste aanleg zijn argument betreffende de internationale onbevoegdheid van de Poolse rechter gehandhaafd. Hij heeft tevens verzocht het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag voor te leggen.

Overweging:

Er zijn twee uitleggingen mogelijk van het begrip “gewone verblijfplaats”. In antwoord op de gestelde vraag is het mogelijk om te concluderen dat op grond van artikel 8(1) van de verordening voor het vaststellen van de gewone verblijfplaats van een kind van 18 maanden alleen rekening moet worden gehouden met de door slechts één van zijn ouders (die dagelijks het gezag over het kind uitoefent) opgebouwde banden, welke tot uitdrukking komen in de volgende omstandigheden. Deze oplossing bevestigt de bevoegdheid van de Poolse rechter in deze zaak. Zij rechtvaardigt het onderzoek ten gronde van de zaak, zonder rekening te houden met de positie van de andere partij bij de procedure, die zijn middel ontleend aan onbevoegdheid handhaaft. Een andere oplossing is ook mogelijk, namelijk dat in het licht van artikel 8(1) van de verordening voor het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind niet alleen rekening moet worden gehouden met de door de ouder die dagelijks het gezag over haar uitoefent opgebouwde banden, maar ook met name de werkelijke verblijfplaats van het kind, de plaats waar deze ouder werkt, en de banden die voortvloeien uit de relatie tussen het kind en de tweede ouder in het kader van diens omgangsrecht. Dit opent in casu de mogelijkheid om de grondslagen van de bevoegdheid van de Poolse rechter opnieuw te onderzoeken.

Prejudiciële vragen:

1) Moet, gelet op de omstandigheden van deze zaak, artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 aldus worden uitgelegd dat: de gewone verblijfplaats van een kind van 18 maanden de lidstaat is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt, door de volgende omstandigheden: de nationaliteit van de ouder die dagelijks het gezag over het kind uitoefent, het feit dat het kind zich in de officiële taal van die lidstaat uitdrukt, het feit dat het er is gedoopt en er perioden oplopend tot drie maanden heeft verbleven tijdens de feestdagen en het ouderschapsverlof van deze ouder, en de omgang met diens familie, wanneer het kind de rest van de tijd met deze ouder in een andere lidstaat woont, deze ouder daar werkt op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en het kind daar geregeld, maar in tijd begrensd, omgang heeft met de andere ouder en diens familie?

2) Moet, om op basis van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 de gewone verblijfplaats vast te stellen van het 18 maanden oude kind over wie, vanwege zijn leeftijd, slechts een van de ouders dagelijks het gezag heeft en dat regelmatig, maar in tijd begrensd, omgang heeft met de andere ouder, bij gebrek aan overeenstemming tussen de ouders over de uitoefening van het ouderlijk gezag en het omgangsrecht van het kind, voor het beoordelen van de integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving in gelijke mate rekening worden gehouden met de banden die het kind met elk van zijn ouders heeft, of moet veeleer rekening worden gehouden met de banden die het kind heeft met de ouder die dagelijks het gezag uitoefent?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Nordania Finans en BG Factoring C-98/07; A C-523/07; Mercredi C-497/10; Elchinov C-173/09.

Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten