C-513/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    05 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    21 november 2017

Trefwoorden: territoriaal toepassingsbereik; vervoer;

Onderwerp:
-           Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna: verordening);
-           Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer;

Feiten:

Bij een verkeerscontrole op 19.11.2015 is het voertuig van verzoeker (Transporte Josef Baumgartner GmbH & Co KG, gevestigd te Oostenrijk) gecontroleerd. Daarbij is vastgesteld dat de gegevens van de bestuurderskaart van de bestuurder voor het laatst op 31.08.2015 en dus 80 dagen vóór de controle zijn uitgelezen. De in artikel 10(5)a van de verordening juncto §2(5) tweede volzin, van het besluit betreffende het rijdend personeel vastgestelde termijn voor het downloaden van de gegevens van de bestuurderskaart na ten hoogste 28 kalenderdagen was derhalve met 52 dagen overschreden. Als verdere inbreuk is vastgesteld dat de laatste bedrijfsvergrendeling van 25.08.2015 dateerde en betrekking had op een andere onderneming. De bedrijfskaart van verzoeker was dus niet ingevoerd in het controleapparaat. Deze vaststellingen zijn door de betrokkene niet betwist. Op 31.03.2016 is door de federale dienst voor goederenverkeer een boetebeschikking uitgevaardigd waarbij een administratieve geldboete van €406,25 voor beide inbreuken is opgelegd. Op 12.04.2016 heeft verzoeker bezwaar ingediend, stellende dat de federale dienst voor goederenverkeer niet territoriaal bevoegd is om de vastgestelde inbreuken te bestraffen. Ter ondersteuning van dit standpunt voert hij aan de federale dienst voor goederenverkeer weliswaar bevoegd is om dergelijke inbreuken binnen de Bondsrepubliek Duitsland te bestraffen, doch alleen voor zover zij binnen de territoriale werkingssfeer van de wet betreffende bestuursrechtelijk bestrafte gedragingen (hierna:OWiG) van de Bondsrepubliek Duitsland zijn begaan. Dit standpunt heeft de rechter in tweede aanleg (Köln) in een arrest van 31.07.2017 ingenomen in een vergelijkbare feitelijke constellatie.

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat artikel 19(2) van de verordening in tegenstelling tot de uitlegging die de rechter in tweede aanleg Köln aan deze bepaling heeft gegeven, een machtiging van elke lidstaat aan andere lidstaten tot vervolging en bestraffing van vastgestelde overtredingen van genoemde verordening inhoudt. Voor zover kan worden nagegaan, heeft het Hof zich nog niet over deze kwestie uitgesproken. Deze vraag is van belang voor de beslechting van het geding. Indien artikel 19(2) van de verordening geen machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland inhoudt, staat dat er namelijk aan in de weg dat de federale dienst voor goederenverkeer als bevoegde Duitse autoriteit de bij de controle van 19.01.2015 vastgestelde inbreuken bestraft, aangezien deze in Oostenrijk zijn begaan (of niet zijn begaan) op de zetel van de firma, maar op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zijn vastgesteld.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 19(2) eerste volzin, van verordening (EG) nr. 561/2006 aldus worden uitgelegd dat een sanctie tegen een onderneming of een leidinggevende persoon daarvan overeenkomstig §30, §9 en §130 van het Ordnungswidrigkeitengesetz (wet betreffende bestuursrechtelijk bestrafte gedragingen; hierna: „OWiG”) wegens een bestuursrechtelijk bestrafte gedraging die is verricht op de plaats waar de onderneming haar zetel heeft, alleen door de lidstaat mag worden opgelegd op het grondgebied waarvan de onderneming is gevestigd? Of zijn ook andere lidstaten bevoegd om die gedraging te bestraffen wanneer zij op hun grondgebied is vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ; IenM