C-517/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    31 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    17 december 2017

Trefwoorden: asiel; internationale bescherming; migratie

Onderwerp:
-           EVRM;
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest);
-           Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus;
-           Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven;
-           Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming;
-           Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.

Feiten:

Verzoeker - zegt Eritrees te zijn – verbleef tot september 2011 in Italië, waar hij een andere naam en een andere geboortedatum had opgegeven en als Ethiopisch onderdaan was geregistreerd. Hij is in Italië als vluchteling erkend. In september 2011 reisde hij Duitsland in en verzocht daar om asiel. Bij beslissing van 18.02.2013 heeft het federaal bureau voor migratie en vluchtelingen (hierna: Bundesamt) vastgesteld dat verzoeker geen recht heeft op asiel, aangezien hij het Duitse grondgebied vanuit een veilig derde land is binnengekomen. Het tegen die beslissing ingesteld beroep is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verworpen. Met zijn beroep in Revision betoogt verzoeker voor de verwijzende rechter dat het Bundesamt niet had mogen nalaten hem persoonlijk te horen. Voor het overige mocht het Bundesamt zich niet op de derdelandenregeling baseren, aangezien hij in een andere lidstaat van de Unie als vluchteling was erkend. In casu is geen beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring genomen op grond van artikel 25(2)a van richtlijn 2005/85. Verweerster voert aan dat de asielaanvraag hoe dan ook niet-ontvankelijk is op grond van §29(1)-2 AsylG. Van een niet-nakoming van de verplichting om verzoeker te horen, is in casu geen sprake. Volgens artikel 12(4) van richtlijn 2005/85 mag de beslissingsautoriteit ook uitspraak doen over de asielaanvraag indien de betrokkene niet is gehoord.

Overweging:

De verwijzende rechter wenst verduidelijkt te zien of een erkende vluchteling in een andere lidstaat een nieuwe erkenningsprocedure kan inleiden wanneer de levensomstandigheden van vluchtelingen in de lidstaat waar de aanvrager reeds internationale bescherming heeft gekregen, niet voldoen aan de vereisten van richtlijn 2011/95, zonder in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 EVRM. Het Bundesamt heeft de bestreden beslissing vastgesteld zonder verzoeker eerst te horen en heeft daarmee zowel het nationale recht als het Unierecht geschonden. In dit verband moet worden verduidelijkt of de uitzonderingsregels van artikel 12(2-3) van richtlijn 2005/85 en artikel 14(2) van richtlijn 2013/32 uitputtend zijn, dan wel of het Unierecht andere in het nationale recht uitdrukkelijk bepaalde uitzonderingen toestaat. De verwijzende rechter verzoekt het Hof om bij de beantwoording van de derde prejudiciële vraag ook het arrest (C-383/13) te verduidelijken.

Prejudiciële vragen:

1) Verzet het Unierecht zich ertegen dat een lidstaat (in casu Duitsland), in het kader van de uitvoering van de machtiging die is verleend bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU en de voordien geldende regeling van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85/EG, een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart op grond dat in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus is toegekend, wanneer de wijze waarop de internationale bescherming in de andere lidstaat (in casu Italië), waar de verzoeker reeds subsidiaire bescherming heeft verkregen, is georganiseerd – te weten de levensomstandigheden voor erkende vluchtelingen – niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU, zonder evenwel in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 EVRM?

2) Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: geldt dit ook wanneer erkende vluchtelingen in de lidstaat waar zij als vluchteling zijn erkend (in casu Italië),
a)         geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat?
b)         weliswaar de door de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU gewaarborgde rechten genieten maar in de praktijk moeilijk toegang krijgen tot de daaraan verbonden uitkeringen of tot prestaties van familie- of middenveldnetwerken die in de plaats komen van de overheidsuitkeringen of deze aanvullen?

3) Verzetten artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2013/32/EU en de voordien geldende regeling van artikel 12, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2005/85/EG zich tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan het feit dat de asielzoeker niet persoonlijk is gehoord in een geval waarin de beslissingsautoriteit het asielverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard in het kader van de uitvoering van de machtiging die is verleend bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU en de voordien geldende regeling van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85/EG, niet leidt tot de nietigverklaring van die beslissing op grond dat geen gehoor heeft plaatsgevonden, ingeval de asielzoeker in de beroepsprocedure de mogelijkheid heeft om alle omstandigheden aan te voeren die tegen de niet-ontvankelijkheidsbeslissing pleiten, maar er in de betrokken zaak – ook wanneer die omstandigheden in aanmerking worden genomen – niet tot een andere beslissing kan worden gekomen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Duitsland C-137/14; G. en R. PPU C-383/13.

Specifiek beleidsterrein: VenJ-dmb