C-52/17 VTB Bank (Austria)

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   23 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       09 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   09 mei 2017

Trefwoorden: toezicht op kredietinstellingen

Onderwerp: - verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (Pb 2013, L 321, blz. 6, zoals gerectificeerd);
- richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (Pb 2013, L 176, blz. 338.

Verzoekster komt op tegen de door FMA (OOS AFM) op grond van de Wet op het bankwezen opgelegde (‘winstafromings’)rente wegens overschrijding van de risicolimiet bij kredietverlening (‘Capital requirement regulation = CRR). De grondslag voor het opleggen gold van 01-03-2014 – 14-08-2015.

De verwijzende OOS rechter (Bundesverwaltungsgericht) stelt vast dat volgens rechtspraak van het OOS grondwettelijk hof het om een maatregel van economisch recht gaat (mededingingsrecht). De regeling moet grote risico’s voor de banken bij grote investeringen beperken. In het EUrecht is een dergelijke voorziening bij overtredingen van de ‘Ordnungsnorm’ niet voorzien. De ECB is bevoegd voor de uitvoering van artikel 395 van Vo. 575/2013 (limiteren kredieten), de FMA kan de rentebedragen opleggen; verweerster stelt dat juist voor dergelijke nationale bijzonderheden door het Unierecht ruimte is gelaten. De oplegging van rente blijft dan ook binnen de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen. Verzoekster stelt echter dat het EUrecht van toepassing is. De afwijkingsbepaling van artikel 395.5 CRR voorziet enkel in een afwijking onder de daarin vastgelegde voorwaarden. In het licht van het beginsel van het nuttig effect zou het de nationale wetgever verboden zijn bepalingen vast te stellen die ertoe leiden dat in gevallen waarin de uitzonderingsbepaling van artikel 395.5 CRR van toepassing is, de rechtsgevolgen intreden waarin het nationale recht voorziet voor overschrijdingen van de limieten van artikel 395.1 CRR. FMA is het daar niet mee eens. De verwijzende rechter egt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Zijn de voorschriften van het afgeleide Unierecht (inzonderheid de artikelen 64 of 65, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338) van toepassing op de door de autoriteiten opgelegde verplichting tot het betalen van rente op grond van een wettelijke regeling van een lidstaat krachtens welke een kredietinstelling bij de overschrijding van de limiet voor grote blootstellingen overeenkomstig artikel 395, lid 1, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012, gedurende 30 dagen rente dient te betalen ten belope van 2 % van de overschrijding, gerekend per jaar, van de limiet voor grote blootstellingen?

2. Staat het Unierecht (inzonderheid artikel 395, leden 1 en 5, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 321, blz. 6, zoals gerectificeerd) in de weg aan een nationale wettelijke regeling, zoals die welke was neergelegd in § 97, lid 1, punt 4, van het Bankwesengesetz (in de versie van BGBl. I nr. 532/2014), wanneer, ondanks dat is voldaan aan de voorwaarden voor de uitzonderingsregeling van artikel 395, lid 5, bij een overtreding van artikel 395, lid 1, (winstafromings)rente moet worden betaald?

3. Moet artikel 48, lid 3, van verordening (EG) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (GTM-kaderverordening) aldus worden uitgelegd dat van een “formeel ingestelde toezichtprocedure” reeds sprake is wanneer een onderneming een melding afgeeft aan de toezichthoudende instantie, of kan van een „formeel ingestelde toezichtprocedure” sprake zijn wanneer in een parallelle procedure voor soortgelijke overtredingen in eerdere tijdvakken reeds een besluit door een toezichthoudende instantie is genomen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-nf; EZ

 

Gerelateerde documenten