C-531/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    24 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    10 december 2017

Trefwoorden: btw; douanerechten; fraude

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn)

Feiten:

Verzoekster tot Revision (Vetsch Int. Transporte GmbH) die een expeditiebedrijf exploiteert, diende als indirecte vertegenwoordigster van de respectieve ontvangers, waaronder in drie gevallen de Bulgaarse ondernemer K. en in twee gevallen de Bulgaarse ondernemer B., in het tijdvak van 10.12.2010 t/m 05.07.2011 bij een Oostenrijks douanekantoor aangiften in voor het vrije verkeer van goederen. In de betrokken aangiften werd verzocht om vrijstelling van de btw bij invoer krachtens artikel 6(3) van de Oostenrijkse btw-wet. Dienovereenkomstig werden de goederen zonder boeking van de btw bij invoer in het vrije verkeer gebracht. Bij besluit van 06.09.2011 stelde verweerder (douanekantoor Feldkirch Wolfurt) verzoekster in kennis van de boeking van ontstane invoerrechten omdat in geen van de gevallen was voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling waarom in de vermelde aangiften was verzocht. Het door verzoekster op 15.09.2011 tegen dat besluit aangetekende bezwaar werd door verweerder bij een eerste beslissing van 31.01.2012 afgewezen. Vervolgens stelde verzoekster op 02.03.2012 beroep in. Dat beroep werd door het Bundesfinanzgericht bij arrest van 30.03.2016 ongegrond verklaard. Het Bundesfinanzgericht stelde vast dat de Bulgaarse ontvangers van een verkoopster van de goederen in Zwitserland voorafgaande aan de inklaring in Oostenrijk de beschikkingsbevoegdheid over de goederen hadden gekregen. Het Bundesfinanzgericht stelde niet vast dat zij die beschikkingsbevoegdheid in Bulgarije niet meer hadden. De Bulgaarse ontvangers hebben in Bulgarije aangifte gedaan van de intracommunautaire verwervingen van de betrokken goederen, maar hebben zich daar schuldig gemaakt aan belastingfraude. Zij hebben namelijk naar aanleiding van de doorverkoop van de betrokken goederen ten onrechte aangifte gedaan van belastingvrije intracommunautaire leveringen aan verzoekster, een niet in dergelijke goederen handelend expeditiebedrijf. Gezien de rechtspraak van het Hof moet derhalve (reeds) de belastingvrijstelling voor de intracommunautaire levering in Oostenrijk worden geweigerd. Dat betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor de vrijstelling van btw bij invoer. De verwijzende rechter dient thans uitspraak te doen over het beroep in Revision dat tegen dit arrest van het Bundesfinanzgericht is ingesteld.

Overweging:

In het beroep in Revision moet (enkel) worden onderzocht of de btw-schuld bij invoer is ontstaan. De in het beroep in Revision omstreden vrijstelling van de btw bij invoer [artikel 143(1)d van de btw-richtlijn] hangt in wezenlijke mate af van het antwoord op de vraag of de intracommunautaire overbrenging volgens artikel 138(2)c van de btw-richtlijn was vrijgesteld van belasting. De aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feitelijke situatie verschilt van de situaties in de aangehaalde jurisprudentie. De verwijzende rechter betwijfelt of de btw-vrijstelling voor een intracommunautaire overbrenging (artikel 138(2)c van de btw-richtlijn) uit lidstaat A, die als voorwaarde geldt voor de vrijstelling van btw bij invoer overeenkomstig artikel 143(1)d van de btw-richtlijn bij de invoer in lidstaat A, ook dan moet worden geweigerd wanneer de belastingplichtige zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude die noch betrekking heeft op de intracommunautaire overbrenging uit lidstaat A, noch op de van de intracommunautaire overbrenging deel uitmakende verwerving in lidstaat B, maar op een handeling in een later stadium van die belastingplichtige in lidstaat B. De verwijzende rechter acht het mogelijk dat de vraag of de belastingplichtige reeds op het tijdstip van de intracommunautaire overbrenging voornemens was om in een later stadium met de betrokken goederen belastingfraude te plegen, in dat verband een verschil uitmaakt.

Prejudiciële vragen:

1. Dient de belastingvrijstelling op grond van artikel 138 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde voor een intracommunautaire overbrenging uit een lidstaat te worden geweigerd wanneer de belastingplichtige die opdracht voor de overbrenging naar een andere lidstaat geeft, in de andere lidstaat weliswaar aangifte doet van de met de intracommunautaire overbrenging verband houdende intracommunautaire verwerving, maar zich bij een belastbare handeling met de betrokken goederen in een later stadium schuldig maakt aan belastingfraude door ten onrechte een belastingvrije intracommunautaire levering uit die andere lidstaat aan te geven?

2. Is het voor het antwoord op de eerste vraag relevant of de belastingplichtige reeds op het tijdstip van de intracommunautaire overbrenging voornemens was om bij een handeling in een later stadium met de betrokken goederen belastingfraude te plegen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Optigen Ltd. e.a. C-354/03; Axel Kittel C-439/04; Recolta Recycling C-440/04; Mahagében Kft. C-80/11; Péter Dávid C-142/11; Gábor Tóth C-324/11; Bonik EOOD C-285/11; Stroy trans C-642/11; Evia-K EOOD C-78/12; Maks Pen EOOD C-18/13; FIRIN OOD C-107/13; PPUH Stehcemp sp j. Florian Stefanek e.a. C-277/14; Giuseppe Astone C-332/15; Maya Marinova ET C-576/15; Schoenimport Italmoda Mariano Previti vof C-131/13; Litdana UAB C-624/15; Albert Collée C-146/05; Teleos plc e.a. C-409/04; Mecsek-Gabona Kft. C-285/09; VSTR C-587/10; Traum EOOD C-492/13; Josef Plöckl C-24/15; Euro Tyre BV C-21/16.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal