C-532/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    24 oktober 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    10 december 2017

Trefwoorden: compensatie luchtpassagiers

Onderwerp:
-           Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening);
-           Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij.

Feiten:

Verzoekers vorderen betaling van compensatie van verweerster (Thomson Airways Ltd.) krachtens artikel 7(1)b van de verordening. Op de boekingsbevestiging van verzoekers stond “uitgevoerd door Thomson Airways Ltd.”. De vlucht werd uitgevoerd met een vliegtuig en een bemanning van verweerster, die TUIFly GmbH in het kader van een zogeheten wet lease van verweerster had gecharterd. Verweerster stelt dat zij daarom niet de “luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” is. De rechter in eerste aanleg heeft verweerster wegens de vertraging van meer dan drie uur veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Volgens de rechter moet verweerster in ieder geval ook worden beschouwd als luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Een uitlegging waarbij louter de maatschappij met de operationele verantwoordelijkheid voor de vlucht wordt beschouwd als luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, is tevens strijdig met de basisgedachte van de consumentenbescherming, aldus de rechter in eerste aanleg. Verweerster heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en pleit dat het niet strookt met de verordening en de rechtspraak om meerdere luchtvaartmaatschappijen aan te merken als luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert in de zin van de verordening. Alleen de maatschappij die operationeel voor de vlucht verantwoordelijk is, is immers in staat de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen na te komen. Geïntimeerden verwijzen naar verordening 2111/2005. Krachtens artikel 11(1)  van die verordening is het verplicht de passagiers in te lichten over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, dus de maatschappij die de vlucht uitvoert.

Overweging:

Of het beroep slaagt, hangt ervan af of (ook) verweerster moet worden aangemerkt als luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert in de zin van de luchtreizigersverordening en de vordering derhalve op goede gronden tegen haar kan worden gericht. Dit hangt af van de uitlegging van het begrip “luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert”, zoals gedefinieerd in artikel 2b van de verordening.

Prejudiciële vragen:

Moet het begrip „luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: „luchtreizigersverordening”) aldus worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij die in het kader van een zogeheten wet lease voor een contractueel vastgelegd aantal vluchten het vliegtuig inclusief bemanning verhuurt, maar voor de desbetreffende vluchten niet de primaire operationele verantwoordelijkheid draagt en op de boekingsbevestiging van de passagier als maatschappij staat vermeld bij: „uitgevoerd door...”, moet worden aangemerkt als de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert in de zin van deze verordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: IenM