C-548/17 baumgarten sports & more

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    07 november 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    24 december 2017

Trefwoorden: btw; fiscaal

Onderwerp:

-           richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn).

Feiten:

Verzoekster en verweerster in Revision (baumgarten sports & more; hierna: verzoekster) was in 2012 werkzaam als spelersmakelaar in het betaalde voetbal. Zij heeft haar handelingen aan de belastingen onderworpen op basis van de overeengekomen vergoedingen overeenkomstig §13(1) punt 1a) van de Duitse wet op de omzetbelasting (hierna: UStG). Na een belastingcontrole is verweerder en verzoeker tot Revision (de Duitse belastingdienst; hierna: FA) ervan uitgegaan dat verzoekster haar in het litigieuze jaar verrichte bemiddelingsdiensten ook reeds in dat jaar aan de belastingen diende te onderwerpen voor zover zij delen van de vergoeding voor deze diensten contractueel pas in 2015 kon innen. Het FA heeft op 15.07.2015 een op grond van §164(2) van de Duitse belastingwetboek gewijzigde omzetbelastingaanslag voor het litigieuze jaar 2012 vastgesteld, waarbij het de pas in het jaar 2015 opeisbare gedeelten van de provisievorderingen ter zake van de bemiddeling voor de spelers A (€31.500), B (€12.500) en C (€13.500) reeds in het litigieuze jaar aan de omzetbelasting heeft onderworpen. De door verzoeksters bemiddeling tot stand gekomen arbeidsovereenkomst van speler A had een looptijd van drie jaar, die zich uitstrekte over drie seizoenen en eindigde op 30.06.2015. Voor elk seizoen moest een “vaste vergoeding” op twee data, te weten per 1 september en per 1 maart van een seizoen, worden betaald. Voorwaarde voor het recht op vergoeding was dat op het betreffende tijdstip de overeenkomst van de licentiespeler ongewijzigd voortbestond. Het onderhavige geding betreft de fiscale beoordeling van het per 01.03.2015 opeisbaar geworden vergoedingsbestanddeel ten belope van €31.500. Soortgelijke vergoedingsvoorwaarden waren van toepassing op de bemiddeling voor de spelers B en C. Het bezwaar is afgewezen. Het bij de belastingrechter in eerste aanleg ingestelde beroep is toegewezen.

Overweging:

Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 63 van de btw-richtlijn, gelet op de aan de belastingplichtige opgedragen taak als belastingontvanger voor de fiscus, restrictief moet worden uitgelegd in die zin dat het voor de prestatie te ontvangen bedrag onvoorwaardelijk verschuldigd of zelfs opeisbaar is. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter – voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord – duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de belastingplichtige gehouden is de over de prestatie verschuldigde belasting gedurende een periode van meer dan twee jaar voor te financieren, als hij de vergoeding voor zijn prestatie (deels) pas meer dan twee jaar nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, kan ontvangen. Met de derde vraag – die wordt gesteld voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord – wenst de verwijzende rechter duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de lidstaten bevoegd zijn om reeds met betrekking tot het belastingtijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt, uit te gaan van een herziening als bedoeld in artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn, indien de belastingplichtige het te ontvangen bedrag bij gebreke van opeisbaarheid ervan pas meer dan twee jaar nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, kan innen.

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 63 van de btw-richtlijn, gelet op de aan de belastingplichtige opgedragen taak als belastingontvanger voor de fiscus, restrictief te worden uitgelegd in die zin dat het voor de prestatie te ontvangen bedrag
a)         opeisbaar is of
b)         op zijn minst onvoorwaardelijk verschuldigd is?

2. Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is de belastingplichtige dan verplicht de over de prestatie verschuldigde belasting gedurende een periode van twee jaar voor te financieren, indien hij de vergoeding voor zijn prestatie (deels) pas twee jaar nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, kan ontvangen?

3. Ingeval de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, hebben de lidstaten dan – gelet op de bevoegdheden die zij ontlenen aan artikel 90, lid 2, van de btw-richtlijn – het recht om reeds met betrekking tot het belastingtijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt, uit te gaan van een herziening als bedoeld in artikel 90, lid 1, van die richtlijn, indien de belastingplichtige het te ontvangen bedrag bij gebreke van opeisbaarheid ervan pas twee jaar nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, kan innen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal