C-557/17 Y.Z. e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    08 november 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    25 december 2017

Trefwoorden: gezinshereniging; fraude

Onderwerp:

-           Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: richtlijn 2003/109);
-           Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: gezinsherenigingsrichtlijn).

Feiten:

Vreemdeling 1 (hierna: de vader) is met ingang van 29.03.2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met zijn gestelde werkzaamheden als manager bij een met name genoemde BV (hierna: de BV). Met ingang van 28.04.2006 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Vreemdeling 2 (hierna: de zoon) en vreemdeling 3 (hierna: de moeder) kregen in het kader van gezinshereniging met de vader een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (vanaf 31.01.2002). De moeder en zoon zijn met ingang van 18.10.2006 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd onder de aantekening 'EG-langdurig ingezetene' (deze verblijfsvergunningen worden aangemerkt als EU-verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetenen, in de zin van artikel 8 van richtlijn 2003/109, waarbij aan hen de status van langdurig ingezetene is verleend, in de zin van artikel 7(1) van richtlijn 2003/109). De vader heeft zijn verblijfsvergunningen op frauduleuze wijze verkregen omdat zijn dienstverband bij de BV een schijnconstructie is geweest. De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunningen van de vader daarom met terugwerkende kracht ingetrokken. Het geschil spitst zich toe op de gevolgen die de frauduleuze verkrijging van het verblijfsrecht van de vader heeft voor het verblijfsrecht van de zoon en de moeder. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht de verblijfsvergunning van zowel de vader als de zoon en de moeder heeft ingetrokken. Volgens de vreemdelingen heeft de rechtbank miskend dat de moeder en de zoon zelf nooit frauduleuze handelingen hebben verricht. Daarnaast beroepen zij zich op het Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid in (arrest Altun).

Overweging:

De vraag rijst of voor de intrekking van de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd van de moeder en de zoon volgens artikel 16(2)a van de gezinsherenigingsrichtlijn van belang is of de moeder en de zoon bewust onjuiste gegevens hebben verstrekt doordat zij wisten dat de werkgeversverklaringen van de vader frauduleus waren. Hierover bestaat geen rechtspraak van het Hof. De verwijzende rechter is van oordeel dat zij deze vraag op basis van de genoemde rechtspraak van het Hof op andere terreinen niet kan beantwoorden. Tevens rijst de vraag of voor de conclusie dat de status van langdurig ingezetene van de moeder en de zoon op frauduleuze wijze is verkregen, in de zin van artikel 9(1)a van richtlijn 2003/109, van belang is of zij wisten dat de werkgeversverklaringen van de vader die zij hebben verstrekt ten behoeve van de verlening van de verblijfsvergunning als langdurig ingezetene frauduleus waren. Hierover bestaat geen rechtspraak van het Hof. De Afdeling is van oordeel dat zij deze vraag op basis van de genoemde rechtspraak van het Hof op andere terreinen ook niet kan beantwoorden.
 
Prejudiciële vragen

1. Moet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de gezinsherenigingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de intrekking van een in het kader van gezinshereniging verleende
verblijfstitel indien aan de verkrijging van die verblijfstitel frauduleuze gegevens ten grondslag liggen, terwijl het gezinslid niet wist van het frauduleuze karakter van die gegevens?
2. Moet artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2003/109 aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de intrekking van de status van langdurig ingezetene indien aan de verkrijging van die status frauduleuze gegevens ten grondslag liggen, terwijl de langdurig ingezetene niet wist van het frauduleuze karakter van die gegevens?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Altun C-337/07; Khachab C-558/14; Euro Tyre C-21/16; Eurofit C-99/12.

Specifiek beleidsterrein: VenJ-dmb

Gerelateerde documenten