C-571/16

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   30 januari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       16 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   16 maart 2017

Trefwoorden: staatsaansprakelijkheid; procedure

Onderwerp: - VEU artikel 4.3 (bevoegdheidsverdeling);

- verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012;
- richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft (Pb 2009, L 68, blz. 3).

Verzoeker heeft op 04-03-2014 met zijn bank (KTB) een raamovereenkomst gesloten over betalingsdiensten. Daarbij is een deposito geopend waarop onbeperkt kan worden ingelegd en opgenomen, met jaarlijkse rentevergoeding (of bij opzegging). Het saldo wordt gegarandeerd door het garantiefonds (FGVB). Verzoeker stort op 05-03-2014 geld op zijn rekening, waarover eenmalig rente is betaald (op 06-11-2014). De rekening is vervolgens ambtshalve gesloten.
Op 20-06-2014 verzoekt KTB de toezichthouder (BUL Centrale bank = verweerster) onder bijzonder toezicht geplaatst te worden wegens onder depositohouders uitgebroken paniek waardoor KTB niet meer aan haar betalingsverplichting kan voldoen. Verweerster besluit 20-06-2014 aan het verzoek te voldoen (voor drie maanden). Tegelijkertijd wordt tot een onderzoek besloten, en wordt de rente verlaagd om de kosten te drukken. In juli 2014 wordt een algehele taxatie uitgevoerd; in oktober concluderen de externe accountants dat het vermogen van KTB moet worden afgewaardeerd waarna KTB niet meer aan de vereisten in Vo. 575/2013 voldoet. De vergunning van KTB wordt 06-11-2014 ingetrokken. FGVB wordt tegelijkertijd geïnformeerd. Per gelijke datum wordt KTB insolvent verklaard maar die datum wordt later door de rechter gewijzigd in 20-06-2014, het tijdstip waarop volgens de rechter de situatie van het ontoereikende eigen vermogen zich voordeed. Er worden negen banken aangewezen om de gegarandeerde deposito’s uit te betalen, te beginnen op 04-12-2014. Verzoeker krijgt op 04-12-2014 een bedrag voor de hoofdvordering en voor rente. Hij stelt een vordering tot schadevergoeding in tegen verweerster wegens te late uitbetaling van zijn gegarandeerde deposito in de periode 30-06-2014 – 04-12-2014. Verzoeker stelt schending van het EUrecht; verweerster zou hebben nagelaten artikel 1.3-i van RL 94/19 toe te passen (uitbetaling na uiterlijk vijf dagen, zonder op intrekking vergunning te wachten). Dat artikel is niet correct in nationaal recht omgezet en had daardoor door de toezichthouder rechtstreeks moeten worden toegepast. Verweerster stelt dat zij ten aanzien van depositohouders geen publieke bevoegdheden heeft zodat van nalaten bij een overheidstaak in haar geval geen sprake kan zijn.  Zij wijst ook op arrest C-222/02 waarin het HvJEU heeft bepaald dat RL 94/19 geen rechtstreekse werking ten aanzien van depositohouders heeft. Mocht bovendien blijken dat de RL niet correct is omgezet dan dient niet verweerster maar de wetgever daarop te worden aangesproken.

De verwijzende BUL rechter (administratieve Rb Varna) stelt vast dat in BUL recht niet duidelijk is vastgelegd welke procedure in geval van overheidsaansprakelijkheid moet worden gevoerd. Dit leidt tot veel verschillende procedures. Om juiste beslissingen te kunnen nemen legt hij de volgende reeks vragen voor aan het HvJEU:

1. Moeten artikel 4, lid 3, VEU en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid aldus worden uitgelegd, dat zij bij het ontbreken van een nationale wettelijke regeling toestaan dat de bevoegde rechterlijke instantie en de procedure voor een vordering tot schadevergoeding wegens schending van het Unierecht worden bepaald aan de hand van de autoriteit die zich aan de schending schuldig heeft gemaakt en de aard van het handelen of het nalaten waardoor deze schending plaatsvond, wanneer de toepassing van deze criteria ertoe leidt, dat de rechtsvorderingen door verschillende rechters – de algemene rechter en de bestuursrechter – volgens verschillende procesrechtelijke regelingen – het Grazhdansko-protsesualen kodeks [GPK, wetboek van burgerlijke rechtsvordering] en het Administrativno protsesualen kodeks [APK, wetboek voor bestuursprocesrecht] – worden behandeld, volgens welke verschillende, namelijk prorata en zuivere bedragen moeten worden betaald, en verschillende voorwaarden, ook met betrekking tot het bewijs van de schuld, moeten worden vervuld?

2. Moeten artikel 4, lid 3, VEU en de door het Hof in het arrest Frankovich neergelegde voorwaarden aldus worden uitgelegd dat deze eraan in de weg staan dat een vordering tot schadevergoeding wegens schending van het Unierecht [zou kunnen] worden behandeld overeenkomstig een procedure zoals neergelegd in de artikelen 45 en 49 van de Zakon za zadalzheniata i dogovorite [ZZD, Wet inzake verbintenissen en overeenkomsten], die de betaling van een prorata bedrag en het bewijs van een schuld verlangt, en ook overeenkomstig een procedure zoals neergelegd in artikel 1 van de Zakon za otgovornostta na darzhavata i obshtinite za vredi [ZODOV, Wet over de aansprakelijkheid van de overheid en gemeenten voor schade], die weliswaar in een objectieve aansprakelijkheid voorziet en bijzondere bepalingen bevat die de toegang tot de rechter gemakkelijker moeten maken, maar desalniettemin alleen geldt voor schade die is geleden wegens nietig verklaarde onrechtmatige rechtshandelingen en onrechtmatig overheidshandelen respectievelijk -nalaten, en niet in geval van schending van het Unierecht, waaraan andere overheidsinstanties zich schuldig hebben gemaakt doorrechtshandelingen/tekortkomingen die in de betrokken procedure niet nietig zijn verklaard?

3. Moeten de artikelen 1, lid 3, onder i), en 10, lid 1, van richtlijn 94/19 aldus worden uitgelegd, dat deze een wetgevende benadering toestaan zoals die welke is neergelegd in artikel 36, lid 3, van de Zakon za kreditnite institutsii [ZKI, Wet op de kredietinstellingen] en in artikel 23, lid 5, van de Zakon za garantirane na vlogovete v bankite [ZGVB, Wet betreffende de garantie van deposito’s], volgens welke “de veronderstelling dat de kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel niet in staat lijkt te zijn de deposito’s terug te betalen en daartoe op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zullen zijn” dezelfde betekenis heeft als de vaststelling van de insolventie van de instelling en het intrekken van haar vergunning, en het depositogarantiestelsel wordt ingeschakeld vanaf het tijdstip dat de bankvergunning wordt ingetrokken?

4. Moet artikel 1, lid 3, van richtlijn 94/19 aldus worden uitgelegd dat voor de kwalificatie van een deposito als “niet-beschikbaar” is vereist dat de “daartoe aangewezen bevoegde autoriteit” uitdrukkelijk deze niet-beschikbaarheid vaststelt na de beoordeling te hebben verricht overeenkomstig het bepaalde onder i) van dit artikel, of mag bij een leemte in het nationale recht de beoordeling en de wil van de “daartoe aangewezen bevoegde autoriteit” worden afgeleid door uitlegging van andere rechtshandelingen van deze autoriteit – in het onderhavige geval bijvoorbeeld besluit nr. 73 van 20 juni 2014 van de upravitelen savet (raad van bestuur) van de BNB, waarmee de “KTB” AD onder bijzonder toezicht werd geplaatst – dan wel op grond van omstandigheden zoals die in het hoofdgeding worden verondersteld?

5. Moet onder omstandigheden als die in het hoofdgeding, wanneer bij besluit nr. 73 van de raad van bestuur van de BNB van 20 juni 2014 alle betalingen en handel zijn stopgezet en de depositohouders in de periode van 20 juni 2014 tot 6 november 2014 geen verzoek tot uitbetaling konden doen en evenmin toegang tot hun deposito’s hadden, ervan worden uitgegaan dat alle gegarandeerde deposito’s van onbepaalde duur (waarover zonder aankondiging beschikt kan worden en die op verzoek direct moeten worden uitbetaald) in de zin van artikel 1, lid 3 onder i), van richtlijn 94/19 niet-beschikbaar waren, of houdt de voorwaarde van een deposito “dat verschuldigd en betaalbaar is maar door een kredietinstelling niet [...] betaald is” in dat de depositohouders van de kredietinstelling betaling (door verzoek of sommatie) moeten hebben verlangd, zonder dat daaraan gevolg werd gegeven?

6. Moeten artikel 1, lid 3, onder i), van richtlijn 94/14 en overweging 8 van richtlijn 2009/14 aldus worden uitgelegd dat de discretionaire bevoegdheid van de „daartoe aangewezen bevoegde autoriteit” bij de beoordeling overeenkomstig artikel 1, lid 3, onder i), in elk geval wordt beperkt door de termijn van onder i), tweede volzin, van deze bepaling of staan zij in verband met het doel van het bijzonder toezicht zoals dat overeenkomstig artikel 115 ZKI is neergelegd toe dat de deposito’s langer dan in de richtlijn is voorzien, niet-beschikbaar blijven?

7. Hebben de artikelen 1, lid 3, onder i), en 10, lid 1, van richtlijn 94/19 rechtstreekse werking en geven zij de houders van deposito’s bij een bank die bij een depositogarantiestelsel is aangesloten, behalve een recht op schadevergoeding op grond van dit stelsel tot het bedrag overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 94/19, ook het recht de staat wegens schending van het Unierecht aansprakelijk te stellen, doordat zij tegen de autoriteit die de niet-beschikbaarheid van de deposito’s moest vaststellen een vordering instellen tot vergoeding van de schade, die is geleden door de te late uitbetaling van het gegarandeerde depositobedrag, wanneer het besluit overeenkomstig artikel 1, lid 3, onder i), na het verstrijken van de in de richtlijn neergelegde termijn van vijf dagen werd genomen en deze vertraging te wijten is aan een door deze autoriteit vastgestelde saneringsmaatregel die de bank moet beschermen tegen insolventie, of staan zij onder omstandigheden als die in het hoofdgeding een nationale regeling toe zoals neergelegd in artikel 79, lid 8, ZKI, volgens welke de BNB, haar organen, en de door haar gemachtigde personen alleen dan aansprakelijk zijn voor de bij de uitoefening van hun toezichthoudende werkzaamheden ontstane schade, wanneer deze opzettelijk is veroorzaakt?

8. Levert een schending van het Unierecht die erin bestaat dat “de daartoe aangewezen bevoegde autoriteit” geen besluit overeenkomstig artikel 1, lid 3, onder i), van richtlijn 94/19 heeft genomen, een “voldoende gekwalificeerde schending” op, die door instelling van een rechtsvordering tegen de toezichthoudende autoriteiten kan leiden tot de aansprakelijkheid van een lidstaat voor schade, en zo ja, welke voorwaarden gelden daarvoor en zijn daarbij de volgende omstandigheden van belang:

a) dat het Fond za garantirane na vlogovete v bankite [FGVB, Garantiefonds voor deposito’s] niet over voldoende middelen beschikte om alle gegarandeerde deposito’s te kunnen dekken;
b) dat in de periode waarin de betalingen waren stopgezet, de kredietinstelling onder bijzonder
toezicht is geplaatst om haar tegen insolventie te beschermen;
c) dat het deposito van verzoekende partij is uitbetaald, nadat de BNB de nutteloosheid van de saneringsmaatregelen had vastgesteld, en
d) dat het deposito van de verzoekende partij met de renteopbrengst, berekend over de periode van 20 juni 2014 tot en met 6 november 2014, is uitbetaald?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ en FIN