C-573/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    15 november 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    31 december 2017

Trefwoorden: EAB; overlevering; voorrang

Onderwerp:

- Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
- Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie
- Overleveringswet (hierna: OLW).

Feiten:

Bij vonnis van 5 februari 2007 heeft de rechter in eerste aanleg P, een Pools onderdaan, veroordeeld tot één jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Op 15.04.2010 heeft die rechterlijke instantie de tenuitvoerlegging van de straf bevolen. Op 07.10.2013 heeft zij tegen P een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van deze straf. In het kader van het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van dit EAB, vraagt de rechtbank Amsterdam zich af of zij artikel 6, leden 2 en 5, OLW moet toepassen, waarin een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB is neergelegd ten behoeve van onder meer personen die in Nederland wonen, wat bij P het geval is. De verwijzende rechter merkt op dat Nederland, indien het de tenuitvoerlegging van een EAB weigert, op grond van artikel 6, lid 3, OLW moet meedelen dat het ‘bereid’ is de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen op basis van een verdrag tussen Nederland en de uitvaardigende lidstaat. Hij preciseert dat die overname in het hoofdgeding afhankelijk is van een daartoe door Polen ingediend verzoek. De Poolse wetgeving verzet zich echter tegen een dergelijk verzoek indien de betrokkene een Pools onderdaan is. De verwijzende rechter benadrukt dat de weigering tot overlevering in een dergelijke situatie ertoe zou kunnen leiden dat de persoon tegen wie het EAB is uitgevaardigd, geen straf hoeft te ondergaan. Na de uitspraak van het vonnis waarbij de overlevering wordt geweigerd, kan immers blijken dat de tenuitvoerlegging van de straf onmogelijk kan worden overgenomen, met name omdat de uitvaardigende lidstaat geen verzoek in die zin heeft ingediend, en die onmogelijkheid heeft dan geen invloed op het vonnis waarbij de overlevering van de gezochte persoon is geweigerd.

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich in de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel af of zij op grond van het beginsel van de voorrang van het Unierecht een bepaling van nationaal recht buiten toepassing mag laten indien deze bepaling niet kan worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 4(6) van kaderbesluit 2002/584/JBZ. Tevens rijst de vraag of artikel 28(2) van kaderbesluit 2008/909/JBZ aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de verklaringen die de lidstaten krachtens deze bepaling kunnen afleggen, na de vaststelling van het laatstgenoemde kaderbesluit worden afgelegd.

Prejudiciële vragen:

1. Als de uitvoerende rechterlijke autoriteit de nationale bepalingen ter uitvoering van een kaderbesluit niet zodanig kan uitleggen dat de toepassing daarvan tot een kaderbesluitconform resultaat leidt, moet zij dan op grond van het voorrangsbeginsel die met de bepalingen van dat kaderbesluit onverenigbare nationale bepalingen buiten toepassing laten?
2. Is een verklaring van een lidstaat als bedoeld in artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit 2008/909/JBZ die hij niet 'op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit', maar op een later tijdstip heeft afgelegd, rechtsgeldig?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Van Vemde C-582/15; C-579/15.

Specifiek beleidsterrein: VenJ-dmb