C-575/17 Sofina e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    13 november 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    30 december 2017

Trefwoorden: fiscaal; belastingen

Onderwerp:
-           Artikel 63 en 65 VWEU

Feiten:

Verzoeksters (Sofina SA, Rebelco SA, en Sidro SA) zijn vennootschappen naar Belgisch recht die in België zijn gevestigd. Verzoeksters hebben in de periode 2008-2011 dividenden ontvangen van meerdere Franse vennootschappen waarin zij deelnemingen hielden die geen recht boden op het voordeel van de regeling voor moedermaatschappijen waarin de code général des impôts voorziet. Op die dividenden is een bronbelasting ingehouden tegen een verminderd tarief van 15%. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar aangetekend bij de belastingautoriteiten en verzocht om teruggaaf van de aldus ingehouden belasting, op grond dat zij, daar zij verlieslatend waren en bijgevolg in België geen belasting over hun resultaten verschuldigd waren, in strijd met het vrije verkeer van kapitaal als gewaarborgd in artikel 63 VWEU, minder gunstig werden behandeld dan Franse verlieslatende vennootschappen, waarvan de uit Franse bron ontvangen dividenden enkel daadwerkelijk aan belasting worden onderworpen wanneer hun belastbare resultaat weer positief wordt. Verzoeksters stellen dat hun resultaat tijdens de litigieuze boekjaren volgens zowel de Belgische als de Franse regels voor de berekening van het belastbare resultaat negatief was. Nadat deze bezwaren door de belastingautoriteiten waren afgewezen, hebben verzoeksters de zaak aanhangig gemaakt bij de bestuursrechter in eerste aanleg. Deze rechter heeft de verzoeken om teruggaaf van de aan de bron geheven belasting afgewezen. Vervolgens heeft de bestuursrechter in hoger beroep (bij arresten) de hogere beroepen van verzoeksters verworpen.

Overweging:

De geformuleerde vragen zijn beslissend voor de beslechting van de bij de verwijzende rechter aanhangige gedingen. Een eerste punt van twijfel is of artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat het liquiditeitsnadeel op zichzelf een verschil in behandeling vormt dat als een beperking van het vrije kapitaalverkeer kan worden aangemerkt. Daarnaast rijst de vraag of de eventuele beperking van het vrije kapitaalverkeer kan worden geacht te zijn gerechtvaardigd door de noodzaak om een doelmatige invordering van de belastingen te waarborgen, aangezien niet-ingezeten vennootschappen niet onder toezicht staan van de Franse belastingautoriteiten, dan wel door de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven. Een laatste belangrijke punt betreft de vraag of de daadwerkelijke belastingdruk in verband met de dividenden moet worden vergeleken, zodat een beperking van het vrije kapitaalverkeer zou kunnen worden geacht haar rechtvaardiging te vinden in het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd en de bronbelasting die op de aan niet-ingezetenen uitgekeerde dividenden wordt ingehouden, wanneer dit verschil, wat het bedrag van de betaalde belasting betreft, het verschil in belastinggrondslag compenseert.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de artikelen 56 en 58 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans de artikelen 63 en 65 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het liquiditeitsnadeel dat voortvloeit uit de omstandigheid dat op dividenden die aan verlieslatende nietingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, een bronheffing wordt toegepast, terwijl over het bedrag van de dividenden die verlieslatende ingezeten vennootschappen ontvangen, pas belasting wordt geheven in het boekjaar waarin zij eventueel weer winstgevend worden, op zichzelf een verschil in behandeling vormt dat als een beperking van het vrije kapitaalverkeer kan worden aangemerkt?

2) Kan de in de vorige vraag vermelde eventuele beperking van het vrije kapitaalverkeer in het licht van de vereisten die voortvloeien uit de artikelen 56 en 58 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans de artikelen 63 en 65 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, worden geacht te zijn gerechtvaardigd door de noodzaak om een doelmatige invordering van de belastingen te waarborgen, aangezien niet-ingezeten vennootschappen niet onder toezicht staan van de Franse belastingautoriteiten, dan wel door de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven?

3) Indien toepassing van de betwiste bronheffing vanuit de optiek van het vrije kapitaalverkeer in beginsel toelaatbaar kan worden geacht:
-           staan die bepalingen eraan in de weg dat aan de bron belasting wordt ingehouden op dividenden die door een ingezeten vennootschap aan een in een andere lidstaat gevestigde verlieslatende vennootschap worden uitgekeerd, wanneer deze laatste haar activiteiten beëindigt en niet opnieuw winstgevend wordt, terwijl een ingezeten vennootschap in een dergelijke situatie over de dividenden feitelijk geen belasting verschuldigd is?
-           moeten die bepalingen aldus worden uitgelegd dat wanneer sprake is van belastingregels die dividenden verschillend behandelen naargelang zij aan ingezetenen dan wel aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, de daadwerkelijke belastingdruk voor elk van hen in verband met die dividenden moet worden vergeleken, zodat een beperking van het vrije kapitaalverkeer die eruit voortvloeit dat deze regels enkel niet-ingezetenen de mogelijkheid ontzeggen rechtstreeks met de inning als zodanig van de dividenden verband houdende kosten af te trekken, zou kunnen worden geacht haar rechtvaardiging te vinden in het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd en de bronbelasting die op de aan niet-ingezetenen uitgekeerde dividenden wordt ingehouden, wanneer dit verschil, wat het bedrag van de betaalde belasting betreft, het verschil in belastinggrondslag compenseert?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Pensioenfonds Metaal en Techniek/Skatteverket C-52/14; FKP Scorpio Konzertproduktionen GmbH/Finanzamt Hamburg-Eimsbüttel C-290/04; Auto Estradas do Liloral SA en KBC Finance Ireland/Fazenda Pública C-18/15; Holding BV/Staatssecretaris van Financiën C-337/08; X NV/Staatssecretaris van Financiën C-498/10; J.B.G.T. Miljoen e.a./Staatssecretaris van Financiën C-10/14, C-14/14 en C-17/14.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

Gerelateerde documenten