C-580/17 Järvelaev

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    29 november 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    15 januari 2018

Trefwoorden: steun; terugvordering

Onderwerp:
-           Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
-           Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
-           Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;
-           Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;
-           Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad.

Feiten:

In het onderhavige geval is in geschil of verzoekster de voorwaarden van het gebruik van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun heeft geschonden en of de terugvordering van deze steun gegrond was. Bij beschikking van verweerder (Põllumajanduse Registrite ja Informatsiooni Amet, hierna: PRIA) werd aan verzoeker (Mittetulundusühing Järvelaev, hierna: MTÜ Järvelaev)  steun toegekend voor de aankoop van een traditionele visserszeilboot, een veiligheidsuitrusting en een informatiebord van messing. PRIA vorderde van MTÜ Järvelaev bij besluit van 27.01.2015 het steunbedrag terug. In het besluit wordt vermeld dat de steun onverschuldigd is betaald en niet doelmatig en overeenkomstig de bestemming is gebruikt. Op 04.12.2014 heeft PRIA bij de begunstigde een controle uitgevoerd waarbij is geconstateerd dat zij de zeilboot samen met de reddingsuitrusting op grond van een huurovereenkomst van 01.07.2014 voor een periode van vijf jaar aan MTÜ Kaleselts had verhuurd. Conform §36(3)1 van het toepasselijke decreet (92) van de minister van landbouw, ontvangt MTÜ Järvelaev - door de zeilboot te hebben verhuurd, geen bemanning te hebben gerekruteerd en geen nieuwe banen te hebben gecreëerd -  het investeringsobject niet doelmatig en niet overeenkomstig de in de aanvraag van de projectsteun vermelde bestemming. PRIA heeft op grond van de verklaringen van de begunstigde en haar  werkzaamheden reden om aan te nemen dat de zeilboot feitelijk werd gebouwd met het doel deze door MTÜ Kaleselts te laten gebruiken. MTÜ Järvelaev heeft bij PRIA bezwaar ingediend dat door PRIA werd afgewezen bij haar besluit op bezwaar van 14.04.2015. MTÜ Järvelaev heeft daarop beroep ingesteld bij de bestuursrechter en verzocht het besluit van PRIA van 27.01.2015 nietig te verklaren. De bestuursrechter heeft de vordering bij vonnis van 11.02.2016 afgewezen. MTÜ Järvelaev stelde hoger beroep bij de districtsrechtbank, welke de nieuwe overlegde bewijzen bij vonnis van 20.10.2016 heeft afgewezen, het hoger beroep heeft verworpen en het vonnis van de bestuursrechter heeft bekrachtigd. MTÜ Järvelaev heeft beroep in cassatie ingesteld (bij de verwijzende rechter) en betoogt als volgt:
1.         Op basis van de bewoordingen van §36(3)1 van decreet 92 kan niet de duidelijke conclusie worden getrokken dat de begunstigde het object in zijn geheel zelf moet gebruiken en bij het verrichten van diensten geen andere personen mag inschakelen.
2.         Uit decreet 92 vloeit geen verplichting voort tot het creëren van banen. Bovendien hoeven bijkomstige doelstellingen niet onmiddellijk te worden gerealiseerd, maar binnen vijf jaar.
3.         MTÜ  Järvelaev verzoekt de bewijzen dat zij banen heeft gecreëerd, toe te laten.
 
Overweging:

PRIA heeft verzoekster hoofdzakelijk verweten het investeringsobject (de zeilboot) niet zelf te hebben gebruikt, maar te hebben verhuurd en voor de exploitatie van de zeilboot niet drie banen te hebben gecreëerd, zoals aangegeven in haar steunaanvraag. Bovendien had verzoekster naar de opvatting van PRIA het gewijzigde gebruik van de zeilboot onmiddellijk aan PRIA en de lokale actiegroep moeten melden en hun toestemming moeten vragen. PRIA heeft de terugvordering van de steun gebaseerd op decreet 92 en op ELÜPS, maar de bepalingen van deze handelingen niet gekoppeld aan het Unierecht, voor de uitvoering waarvan deze handelingen waren vastgesteld. Naar de opvatting van de verwijzende rechter is niet volstrekt duidelijk welke Unierechtelijke handelingen bij de beslechting van de zaak moeten worden toegepast. Volgens de §§131 en 111 ELÜPS kunnen verordeningen 1303/2013 en 1306/2013 van toepassing zijn. In de gevoegde zaken C-260/14 en C-261/14 heeft het Hof vastgesteld dat het begrip ‘onregelmatigheid’ ook betrekking heeft op inbreuken op de bepalingen van nationaal recht, maar het is niet duidelijk of een lidstaat voor de duurzaamheid van een  concrete actie die reeds in een EU-verordening wordt geregeld, kan voorzien in een strengere regeling dan het Unierecht. Voorts dient voor de beslechting van de zaak te worden beoordeeld of de verhuur van het investeringsobject door verzoekster als vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk onder de genoemde voorwaarden moet worden beschouwd als belangrijke wijziging in de zin van artikel 72(1)a van verordening 1698/2005 die de aard of de uitvoeringsvoorwaarden ervan raakt of een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert.

Prejudiciële vragen:

1) Dient bij de terugvordering van in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, wanneer de steun op 6 september 2011 werd toegekend, de laatste termijn op 19 november 2013 werd uitbetaald, de inbreuk op 4 december 2014 werd geconstateerd en het terugvorderingsbesluit op 27 januari 2015 werd vastgesteld, met het oog op de vereiste duurzaamheid van de concrete actie, toepassing te worden gegeven aan artikel 72 van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, dan wel aan artikel 71, lid 1, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad? Wordt de grondslag van de terugvordering onder deze omstandigheden gevormd door artikel 33, lid 1, van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad, of door artikel 56 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad?

2) Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1698/2005 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot voor dezelfde concrete actie gebruikt waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als belangrijke wijziging in de zin van artikel 72, lid 1, onder a), van verordening nr. 1698/2005 die de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de concrete actie raakt of een onderneming onrechtmatig voordeel oplevert? Moet het betaalorgaan van een lidstaat, met het oog op de vervulling van de voorwaarde van onrechtmatigheid van het voordeel, vaststellen waarin het voordeel concreet bestond? Ingeval dit bevestigend wordt beantwoord: kan het onrechtmatige voordeel dan hierin bestaan dat de feitelijke gebruiker van het investeringsobject, indien hij zelf een aanvraag met dezelfde inhoud had ingediend, de projectsteun niet had ontvangen?

2a) Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1303/2013 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot op dezelfde wijze gebruikt als waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden van de concrete actie in de zin van artikel 71, lid 1, onder c), van verordening nr. 1303/2013 waardoor de oorspronkelijke doelstellingen worden ondermijnd?

3) Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1698/2005 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de begunstigde aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot voor dezelfde concrete actie gebruikt als waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als belangrijke wijziging in de zin van artikel 72, lid 1, onder b), van verordening nr. 1698/2005 die het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de beëindiging of verplaatsing van een productieactiviteit, indien hierbij in aanmerking wordt genomen dat de eigendom van de zeilboot ongewijzigd is gebleven, maar de begunstigde niet meer onmiddellijke, maar middellijke bezitter van de zeilboot is en huurinkomsten genereert in plaats van inkomsten uit het verrichten van de in de aanvraag omschreven dienst?

3a) Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1303/2013 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot voor dezelfde concrete actie gebruikt als waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening waardoor een onderneming een onrechtmatig voordeel behaalt, in de zin van artikel 71, lid 1, onder b), van verordening nr. 1303/2013, indien hierbij in aanmerking wordt genomen dat de eigendom van de zeilboot ongewijzigd is gebleven, maar de begunstigde niet meer onmiddellijke, maar middellijke bezitter van de zeilboot is en huurinkomsten genereert in plaats van inkomsten uit het verrichten van de in de aanvraag omschreven dienst? Moet het betaalorgaan van een lidstaat, met het oog op de vervulling van de voorwaarde van onrechtmatigheid van het voordeel, vaststellen waarin het voordeel concreet bestond? Ingeval dit bevestigend wordt beantwoord: kan het onrechtmatige voordeel dan hierin bestaan dat de feitelijke gebruiker van het investeringsobject, indien hij zelf een aanvraag met dezelfde inhoud had ingediend, de projectsteun niet had ontvangen?

4) Mag aan de begunstigde bij een nationaal decreet waarin een Leadermaatregel wordt geregeld, de verplichting worden opgelegd om het investeringsobject voor een periode van vijf jaar te behouden, en wel onder strengere voorwaarden dan in artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005 of artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1303/2013?

5) Ingeval de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: zijn dan de bepaling van een nationaal decreet op grond waarvan de begunstigde van de projectsteun verplicht is om het met behulp van de steun verworven investeringsobject te behouden en doelmatig te gebruiken voor een periode van ten minste vijf jaar na de uitbetaling van de laatste termijn van de steun, alsmede de uitlegging van deze bepaling op grond waarvan de begunstigde het investeringsobject persoonlijk moet gebruiken, in overeenstemming met artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005 respectievelijk artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1303/2013?

6) Moet het als onregelmatigheid in de zin van artikel 33, lid 1, van verordening nr. 1290/2005 respectievelijk artikel 56 van verordening nr. 1306/2013 worden beschouwd, als de begunstigde een concrete actie niet uitvoert die volgens een nationaal decreet waarin een Leadermaatregel is geregeld, niet verplicht was, maar waarnaar de begunstigde in de in zijn steunaanvraag opgenomen „samenvatting van de doelstellingen en werkzaamheden in het kader van de concrete actie en de investering” had verwezen en die één van de criteria was op grond waarvan de aanvragen werden beoordeeld met het oog op de plaatsing ervan op een ranglijst?

7) Ingeval de zesde vraag bevestigend wordt beantwoord: wordt de terugvordering dan onrechtmatig doordat hierop een beroep is gedaan vóór afloop van vijf jaar sinds de laatste betaling en de begunstigde de inbreuk gedurende de gerechtelijke procedure inzake de terugvordering opheft?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Județul Neamț C-260/14 en C-261/14

Specifiek beleidsterrein: EZK