C-582/17 H

Prejudiciële hofzaak.

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    01 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    17 januari 2018

Trefwoorden: Dublinverordening; internationale bescherming

Onderwerp:
-           Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Dublinverordening).

Feiten:

De vreemdeling (Syrische nationaliteit) heeft op 21.01.2016 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. De staatssecretaris heeft op grond van artikel 18(1)b van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van dit verzoek. De Duitse autoriteiten hebben niet binnen twee weken gereageerd op het terugnameverzoek van 21.03.2016, waardoor zij het op 05.04.02016 stilzwijgend hebben geaccepteerd. Gelet daarop heeft de staatssecretaris het verzoek om internationale bescherming van de vreemdeling niet in behandeling genomen. De vreemdeling heeft aangevoerd dat Nederland krachtens artikel 9 van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming, omdat haar in Nederland verblijvende echtgenoot hier internationale bescherming geniet. De staatssecretaris heeft zich bij besluit van 06.05.2016 op het standpunt gesteld dat uit het systeem van de Dublinverordening volgt dat de verantwoordelijkheidscriteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening alleen van toepassing zijn, indien een lidstaat een vreemdeling overneemt (en in dit geval neemt Duitsland de vreemdeling terug, en niet over). De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van de vreemdeling op artikel 9 van de Dublinverordening faalt, nu de vreemdeling eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Voorts heeft zij overwoqen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd geen grond is gelegen om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening, zodat zij het besluit van 06.05.2016 heeft vernietigd en de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij in haar uitspraak heeft overwogen. Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben zowel de vreemdeling als de staatssecretaris hoger beroep bij de verwijzende rechter ingesteld.

Overweging:

Uit de Dublinverordening leidt de verwijzende rechter af dat slechts één lidstaat is belast met het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en dat dit de lidstaat is waar het eerste verzoek is ingediend, zodat de verzoeker slechts in die lidstaat een beroep kan doen op de toepasselijkheid van de verantwoordelijkheidscriteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening. In de jurisprudentie van het Hof is dit echter niet expliciet overwogen. Daarom legt de verwijzende rechter het Hof de prejudiciële vraag voor.

Prejudiciële vragen:

Moet verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180) aldus worden uitgelegd dat slechts de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming voor het eerst is ingediend, is belast met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat, met als gevolg dat een vreemdeling alleen in die lidstaat krachtens artikel 27 van de Dublinverordening in rechte kan opkomen tegen een onjuiste toepassing van een in hoofdstuk III van die Verordening genoemd verantwoordelijkheidscriterium, waaronder artikel 9?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Ghezelbash C-63/15; Karim C-155/15;

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb