C-586/17 D. et I.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    04 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    20 januari 2018

Trefwoorden: asiel; procedureel

Onderwerp:
-           Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (hierna: Procedurerichtlijn);
-           Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Kwalificatierichtlijn).

Feiten:

Deze verwijzingsuitspraak heeft betrekking op verzoeken om internationale bescherming in de zin van de Kwalificatierichtlijn (zowel verzoeken om toekenning van de vluchtelingenstatus als verzoeken om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus). D heeft na afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming in beroep bij de bestuursrechter voor het eerst als asielmotief aangevoerd dat hij in 2010 is gescheiden en dat hij in mei 2015 is getrouwd met een andere vrouw. D betoogt dat sinds dit huwelijk zijn ex-vrouw dreigt om familiegeheimen over hemzelf en zijn stiefvader openbaar te maken. Sindsdien loopt hij gevaar wegens bedreigingen door zijn stiefvader, aldus D. Verweerder (staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) stelt dat D hiermee een nieuw asielmotief heeft aangevoerd welk, gelet op vaste rechtspraak, de bestuursrechter niet bij de beoordeling van het beroep kan betrekken. De bestuursrechter heeft overwogen dat dit asielmotief wél bij de beoordeling van het beroep moet worden betrokken (artikel 46(3) Procedurerichtlijn). Na verweerder in de gelegenheid te hebben gesteld een standpunt in te nemen over het nieuw aangevoerde asielmotief, heeft de bestuursrechter het beroep van D gegrond verklaard en het besluit van 28.10.2014 vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. I heeft eveneens, na afwijzing van zijn verzoek, in beroep bij de bestuursrechter voor het eerst een nieuw asielmotief aangevoerd (bedreiging door Hamas). Verweerder heeft hier tevens gesteld dat het de bestuursrechter niet is toegestaan bij de beoordeling van het beroep de nieuw aangevoerde asielmotief te betrekken. In dit geval heeft de bestuursrechter overwogen dat er ook op grond van het Unierecht geen ruimte bestaat om de nieuw aangevoerde asielmotief te betrekken bij de beoordeling van het beroep. I heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

Overweging:

Uit de Procedurerichtlijn en de voorhanden zijnde rechtspraak van het Hof volgt niet eenduidig wat de verplichting voor de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken om een volledig en ex nunc-onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming, te verrichten, inhoudt op het moment dat hij wordt geconfronteerd met een
asielmotief dat voor het eerst in beroep wordt aangevoerd. Daarom legt de Afdeling het Hof de prejudiciële vragen voor.

Prejudiciële vragen:

1.a. Staat artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (herschikking) (PB 2013, L 180) gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de weg aan een systeem waarin de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken een door een vreemdeling voor het eerst bij hem in beroep aangevoerd asielmotief in beginsel niet bij de beoordeling van dat beroep mag betrekken?

1.b. Maakt het daarbij uit of een daadwerkelijk nieuw asielmotief wordt aangevoerd, dat wil zeggen een reden om te vragen om internationale bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van ná het besluit van de beslissingsautoriteit op het verzoek om internationale bescherming, of een achtergehouden asielmotief, dat wil zeggen een reden om te vragen om internationale bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van vóór het besluit van de beslissingsautoriteit op het verzoek om intemationale bescherming en die een vreemdeling hoewel deze bij hem bekend waren, verwijtbaar niet reeds in de bestuurlijke fase kenbaar maakte?

1.c. Maakt het daarbij uit of het asielmotief wordt aangevoerd in het kader van een beroep bij de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken tegen een besluit van de beslissingsautoriteit op een eerste of een volgend verzoek om internationale bescherming?

2. Als vraag 1.a. bevestigend wordt beantwoord, staat het Unierecht er dan ook aan in de weg dat de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken ervoor kan kiezen om de behandeling van een voor het eerst bij hem in beroep aangevoerd asielmotief te verwijzen naar een nieuwe procedure bij de beslissingsautoriteit, om zo de goede procesorde in de rechterlijke procedure te waarborgen of om ontoelaatbare vertraging daarin te voorkomen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb