C-593/16 Admiral Casinos & Entertainment

Prejudiciële hofzaak

 

LET OP: Intrekkingsverzoek dd 30/1/2017, zie rechts


Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   27 januari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   13 maart 2017

Trefwoorden: kansspelen; vrij verkeer diensten; consumentenbescherming;

Onderwerp: - handvest artikel 47 (voorziening in rechte);
- VWEU artikel 56 (vrij verkeer diensten);
- richtlijn 2005/29/EG van het Europese Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt

Zie ook zaak C-464/15 van dezelfde verzoekster. Verzoekster heeft als enige een vergunning op grond van de Wet op de speelautomaten voor het exploiteren van kansspelen in Niederösterreich. Bij besluit van 11-05-2015 is haar vergunning door het Verwaltungsgerichtshof nietig verklaard omdat het deelstaatbestuur bij de vergunningprocedure in strijd met het transparantievereiste heeft gehandeld. Op grond van de federale wet op de kansspelen is verzoekster echter gerechtigd en verplicht door te gaan met de organisatie van kansspelen (in speelautomaten).

Verweerster exploiteert een tankstation. Zij verhuurt bij overeenkomst van 07-05-2014 aan Unibet (gevestigd in SLW) een ruimte voor drank- en (twee) speelautomaten waarbij is overeengekomen dat Unibet voor de nodige vergunningen dient zorg te dragen. Verzoekster eist staking van verweersters activiteiten en publicatie van het vonnis omdat Unibet niet over een vergunning in SLW beschikt, het een zuiver interne situatie betreft, verweerster dan ook geen beroep op onverenigbaarheid met EUrecht kan doen, en dat sprake is van oneerlijke handelspraktijken. Verweerster stelt echter wel onverenigbaarheid gezien de nationale regelgeving de vrijheid van beroepsuitoefening onrechtmatig wordt beperkt en wijst op de intrekking van verzoeksters vergunning ex tunc waardoor zij in feite nooit over een vergunning heeft beschikt. Zij stelt dat het voortzetten van verzoeksters activiteiten ongrondwettig is.

De verwijzende OOS rechter (Landesgericht Korneuburg) stelt allereerst vast dat er wel sprake is van een grensoverschrijdende situatie door de activiteiten van de SLW vestiging van Unibet in OOS en zo de bevoegdheid van het HvJEU. Het transparantiegebrek in de vergunningprocedure duidt op gunning zonder aanbesteding, hetgeen in strijd met het EUrecht. De rechter gaat er dan ook vanuit dat de bepaling in de wet op grond waarvan verzoekster haar activiteiten voortzet in strijd is met EUrecht. Hij wijst verder op arrest C-390/12 waarin dwingende vereisten van algemeen belang (consumentenbescherming) beperking van kansspelactiviteiten kan rechtvaardigen. In de OOS rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat in geval van oneerlijke mededinging staking en publicatie vonnis kan worden geëist ook door een ondernemer die zelf oneerlijk handelt. De rechter vraagt zich af of dat met EUrecht verenigbaar is en ook geldt bij schending van een primair recht als het transparantievereiste. Voor zover de verwijzende rechter bekend is nog niet eerder een vraag bij het HvJEU neergelegd over zoals in casu het ontbreken van vergunningen van de partijen in beide betrokken EULS en er door beide partijen een beroep op de vrijheid van dienstverrichting wordt gedaan. Hij deelt het standpunt van de AG in zaak C-46/08 waarin deze oordeelde dat bij gebreke van een vergunning in de LS van vestiging de partij (ook Unibet) zich niet op VWEU artikel 56 kan beroepen. Gezien de verschillende jurisprudentielijnen van de hoogste OOS rechters (door verschillen in de door de lagere rechters vastgestelde feiten) vraagt de rechter zich ook af of organisatoren van kansspelen niet in hun recht op een eerlijk proces beperkt worden. Hij wijst (uitgebreid) op de verschillen in regelgeving in de diverse OOS deelstaten, in sommige zijn kansspelen zelfs geheel verboden, en er wordt onderscheid gemaakt wat betreft plaats van handeling en speelmachine. Ook bepalingen die voor beperking van kansspelen door het HvJEU gerechtvaardigd worden geacht, zoals bestrijding witwassen en terrorisme, gelden slechts in enkele deelstaten. Ten slotte vraagt hij zich af of het gerechtvaardigd is dat in de OOS regelgeving wordt vereist dat een vergunning slechts wordt verleend aan ondernemingen die als kapitaalvennootschap zijn opgericht en over een raad van commissarissen beschikken.

1. Verzet artikel 56 VWEU zich tegen een nationale regeling op grond waarvan de gegadigde voor een vergunning voor de organisatie van commercieel geëxploiteerde kansspelen door middel van speelautomaten, die deze vergunning op grond van een aanbestedingsprocedure van de overheid heeft verkregen maar aan wie deze vergunning door de rechter, na een door een concurrent ingesteld rechtsmiddel, weer is ontnomen wegens het ontbreken van transparantie van de verleningsprocedure, nog 18 maanden gerechtigd en verplicht is commercieel geëxploiteerde kansspelen door middel van speelautomaten te organiseren ondanks de nietigverklaring van de vergunning?

2. Moet artikel 11, lid 1, onder a), van richtlijn 2005/29/EG van het Europese Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt aldus worden uitgelegd dat de richtlijn van toepassing is op een aan het nationale recht ontleende verbodsvordering en vordering tot publicatie van de uitspraak van een ondernemer jegens een andere, wanneer beide ondernemers kansspelen organiseren?

3. Moet richtlijn 2005/29/EG van het Europese Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, in het bijzonder de overwegingen 6 en 8 daarvan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die een verbodsvordering en vordering tot publicatie van de uitspraak ook toekent aan een ondernemer wiens vergunning voor de organisatie van kansspelen door de rechter nietig is verklaard wegens strijd met het uit artikel 56 VWEU voortvloeiende transparantievereiste?

4. Vereist de toepassing van artikel 56 VWEU bij de vraag of nationale bepalingen in de kansspelsector in een grensoverschrijdende situatie onverenigbaar zijn met het Unierecht, dat de ondernemer die met een beroep op de vrijheid van dienstverrichting kansspelen organiseert in een andere lidstaat, beschikt over een vergunning voor de organisatie van kansspelen in zijn eigen lidstaat?

5. Vereist het beroep van een ondernemer op artikel 56 VWEU dat hij beschikt over een vergunning voor de organisatie van kansspelen in zijn eigen lidstaat?

6. Verzetten artikel 56 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich tegen nationale bepalingen op grond waarvan de feitelijke vraag of een nationale regeling inzake kansspelen op samenhangende en stelselmatige wijze de gelegenheden tot spelen vermindert of de aan deze spelen verbonden criminaliteit bestrijdt, niet door middel van een toetsing van de wet door een enkele rechter moet worden beantwoord, maar in iedere afzonderlijke civiele procedure waarin een verbod en de publicatie van de uitspraak op grond van oneerlijke mededinging worden gevorderd, alsmede in iedere afzonderlijke bestuursrechtelijke procedure, waardoor een verschillende juridische beoordeling van de vastgestelde feiten niet kan worden vermeden?

7. Verzet artikel 56 VWEU zich tegen nationale bepalingen waarbij er voor videoslotmachines, speelautomaten in casino’s, speelautomatenhallen en weddenschapsterminals verschil is op het gebied van spelersbescherming, minimumkapitaalvereisten, bescherming van minderjarigen, bestrijding van witwassen en terrorisme, en toelating van ondernemers uit andere lidstaten, in het bijzonder wanneer kansspelen door middel van speelautomaten in vier van de negen deelstaten verboden zijn en in vijf van de negen deelstaten zijn toegestaan?

8. Verzet artikel 56 VWEU zich tegen nationale bepalingen op grond waarvan de vergunning voor de organisatie van kansspelen door middel van speelautomaten slechts wordt verleend aan ondernemingen die als kapitaalvennootschap zijn opgericht en over een raad van commissarissen beschikken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-46/08 Carmen Media Group; C-390/12 Pfleger

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ