C-598/17 A-Fonds

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    13 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    29 januari 2018

Trefwoorden: staatssteun; belastingen

Onderwerp:
-           VWEU, artikelen 63 en 108;
-           Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag;
-           Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag;
-           Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun;
-           Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de minimissteun.

Feiten:

BBB is een in Duitsland gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon naar Duits recht die via belanghebbende, een in Duitsland beheerd beleggingsfonds, belegt in (onder andere) aandelen van in Nederland gevestigde vennootschappen. Op de ter zake van die aandelen door BBB, via belanghebbende, genoten dividenden is Nederlandse dividendbelasting ingehouden. In Nederland gevestigde ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Teneinde te voorkomen dat de dividendbelasting, als voorheffing op de vennootschapsbelasting, op door dergelijke ondernemingen ontvangen dividenden van in Nederland gevestigde vennootschappen blijft drukken, voorziet de Nederlandse wetgeving in een teruggave van de ter zake van die dividenden ingehouden dividendbelasting. Die teruggave is, voor zover van belang, beperkt tot in Nederland gevestigde rechtspersonen die niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen. BBB komt niet voor deze teruggaveregeling in aanmerking omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Het Hof heeft geoordeeld dat de weigering om BBB een teruggave van dividendbelasting te verlenen een schending van het recht op vrij kapitaalverkeer ingevolge artikel 63 VWEU oplevert, omdat BBB, althans de door haar verrichte economische activiteiten, objectief vergelijkbaar zijn met niet aan de heffing van (Nederlandse) vennootschapsbelasting onderworpen ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen. BBB komt derhalve in aanmerking voor een zodanige teruggave, behoudens de hiernavolgende behandeling van het beroep van de Inspecteur op het staatssteunrecht van de Europese Unie. De Inspecteur betoogt dat het aan BBB verlenen van de door haar gewenste teruggave van dividendbelasting een ongeoorloofde schending van het uitvoeringsverbod van artikel 108(3) VWEU zou betekenen en dat het Hof, gelet daarop, het verzoek van belanghebbende moet afwijzen. De Inspecteur wijst erop dat de hiervóór behandelde regeling van de beperkte belastingplicht van ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen een bestaande steunregeling is die inmiddels door de Commissie onverenigbaar met de interne markt is bevonden. De verlening van een teruggave van dividendbelasting aan BBB met een beroep op artikel 63 VWEU zou volgens de Inspecteur leiden tot een wijziging van die bestaande steunregeling, ofwel de verlening van nieuwe staatssteun, waarmee zou worden gehandeld in strijd met het voornoemde uitvoeringsverbod. Belanghebbende heeft het voornoemde, verkort weergegeven, betoog van de Inspecteur op zichzelf beschouwd niet weersproken, maar stelt (1) dat het betoog van de Inspecteur hoe dan ook moet worden verworpen, gezien het arrest van het Hof (Finanzamt Linz, C-66/14 )en (2) dat in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van het verlenen van staatssteun omdat de teruggevraagde dividendbelasting binnen de grenzen blijft die voor de minimis-staatssteun zijn vastgesteld.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de onderhavige procedure een proefprocedure vormt voor een zeer groot aantal teruggaveverzoeken dat bij de Inspecteur is ingediend. Op basis van inlichtingen van de Inspecteur is het Hof ermee bekend dat de uitkomst van de onderhavige procedure rechtstreeks relevant is voor ongeveer 1.000 teruggaveverzoeken, waarin naast de in deze procedure aan de orde zijnde kwesties van nationaalrechtelijke aard vergelijkbare vragen van unierechtelijke aard aan de orde zijn, waaronder de staatssteunrechtelijke. De verwijzende rechter heeft er in dit verband mede acht op geslagen dat de onderhavige vragen van staatssteunrechtelijke aard zich tevens aandienen ingeval de nationaalrechtelijke kwalificatievraag van belanghebbende in andere zin zou worden beantwoord. Het Hof is voorts van oordeel dat van elke andere afdoeningswijze van de onderhavige zaak niet duidelijk is dat die leidt tot een doelmatiger rechtspleging dan indien het Hof overgaat tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

Prejudiciële vragen:

1. Is de uitbreiding van de reikwijdte van een bestaande steunregeling ingevolge een succesvol beroep van een belastingplichtige op het recht op vrij kapitaalverkeer van artikel 56 EG-Verdrag (thans: artikel 63 VWEU) een als wijziging in bestaande steun op te vatten nieuwe steunmaatregel?

2. Zo ja, verzet de taakuitoefening van de nationale rechter ingevolge artikel 108, lid 3, VWEU zich ertegen dat de belastingplichtige een belastingvoordeel wordt verleend waarop die belastingplichtige ingevolge artikel 56 EG-Verdrag (thans: artikel 63 VWEU) aanspraak maakt, dan wel dient een voorgenomen rechterlijke beslissing, houdende de verlening van dat voordeel, bij de Commissie te worden gemeld, dan wel dient de nationale rechter enige andere handeling te verrichten of maatregel te nemen, gezien de hem ingevolge artikel 108, lid 3, VWEU toebedeelde toezichthoudende taak?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen C- 436/08 en C- 437/08; Test Claimants in the FII Group Litigation C-446/04; Test Claimants in the FII Group Litigation C-35/11; Pensioenfonds Metaal en Techniek C-252/14; Adria Wien Pipeline GmbH en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH C-143/99; Finanzamt Linz C-66/14; Transalpine Ölleitung in Österreich GmbH C-368/04; DEI C-590/14 P; Ianelli & Volpi 74/76; Nygàrd C-234/99; Duitsland / Commissie C-156/98; Heiser C-172/03.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZK