C-602/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    05 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    21 januari 2018

Trefwoorden: fiscaal; vrij verkeer

Onderwerp:

-           artikel 45 en 56 VWEU;
-           Op 17 september 1970 tussen België en het Groothertogdom Luxemburg gesloten overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting (hierna: belastingovereenkomst).

Feiten:

Verzoeker is sinds 17.03.2003 in loondienst werkzaam bij een vereniging zonder winstoogmerk (vzw) naar Luxemburgs recht. In de aangifte in de personenbelasting in België voor de jaren 2007 t/m 2009 geeft verzoeker zijn in Luxemburg verworven inkomsten aan onder ‘inkomsten van buitenlandse oorsprong’. De belastingambtenaar stelt vast dat verzoekers worden geacht enkele dagen in België en/of het buitenland (niet Luxemburg) te hebben gewerkt waardoor naheffingen zullen volgen. Bij brief van 25.06.2009 geven verzoekers aan het niet eens te zijn met de aangekondigde naheffingen. Verzoeker betoogt het voornaamste deel van zijn werkzaamheden daadwerkelijk in Luxemburg uit te oefenen. De belastingambtenaar blijft bij zijn standpunt en wijst erop dat de bezoldigingen voor de werkzaamheden die zijn uitgeoefend buiten het grondgebied van Luxemburg, krachtens de belastingovereenkomst niet voor vrijstelling in aanmerking kunnen komen. Hieropvolgend zijn aanslagen vastgesteld voor de jaren 2007 t/m 2009. Bij brieven maken verzoekers bezwaar tegen de aanslagen; verzoeker betoogt dat de beperkte en incidentele dienstreizen niet eraan in de weg staan dat de bronstaat exclusief heffingsbevoegd is, aangezien het merendeel van zijn werkzaamheden in loondienst op de zetel van de vzw in Luxemburg worden uitgeoefend. Subsidiair stelt verzoeker dubbele belastingheffing over het deel van de bezoldigingen dat betrekking heeft op de dagen van aanwezigheid buiten het grondgebied van Luxemburg. Bij besluit van 17.02.2011 wijst de gewestelijk directeur van de directe belastingen te Luik de bezwaarschriften af en beslist hij dat overeenkomstig artikel 15§1 van de belastingovereenkomst, Luxemburg voor de bezoldigingen van een in België wonende werknemer die werkzaam is voor een Luxemburgse werkgever, slechts heffingsbevoegd is naar rato van het gedeelte van de werkzaamheden die op het grondgebied van Luxemburg zijn verricht, en België heffingsbevoegd is voor alle bezoldigingen voor werkzaamheden die door een in België wonende persoon buiten Luxemburg zijn verricht, ook al verricht deze Belgische inwoner zijn werkzaamheden gedeeltelijk in Luxemburg voor een Luxemburgse werkgever. Bij verzoekschrift blijft verzoeker opkomen tegen de voorwaarde van een permanente, dagelijkse fysieke aanwezigheid van de werknemer in de bronstaat die zou zijn vervat in artikel 15 van de belastingovereenkomst, dat in zijn ogen slechts een geregelde daadwerkelijke aanwezigheid vereist. Subsidiair beroept verzoeker zich op het vrije verkeer van werknemers en de vrije verrichting van diensten, die door de artikelen 45 e.v. en 56 e.v. van het VWEU zijn gewaarborgd.

Overweging:

Hier is sprake van een situatie waarin diensten niet geheel op het grondgebied van de bronstaat worden verricht, aangezien verzoeker in 2006 15 dagen in België en 7 dagen in het buitenland (22 dagen van 220 werkdagen), in 2007 18 dagen in België en 12 dagen in het buitenland (30 dagen van de 220 arbeidsdagen), en in 2009 5,5 dagen in het buitenland heeft gewerkt. In een dergelijke situatie rijst de vraag welk belastingstelsel van toepassing is op de bezoldigingen van een in België wonende werknemer, inzonderheid voor het deel van de bezoldigingen dat betrekking heeft op diensten die buiten het grondgebied van Luxemburg zijn verricht.

Prejudiciële vragen:

Wanneer artikel 15§1 van de tussen België en het Groothertogdom Luxemburg op 17 september 1970 ondertekende overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting aldus wordt uitgelegd dat het is toegestaan de heffingsbevoegdheid van de bronstaat voor de bezoldigingen van een in België wonende werknemer die zijn werkzaamheden voor een Luxemburgse werkgever uitoefent, te beperken naar rato van de op het grondgebied van Luxemburg uitgeoefende werkzaamheden, het is toegestaan de woonstaat heffingsbevoegdheid toe te kennen voor het saldo van de bezoldigingen voor de buiten het grondgebied van Luxemburg uitgeoefende werkzaamheden, het vereist is dat de werknemer permanent en dagelijks fysiek aanwezig is op de zetel van zijn werkgever, ook al wordt na een op basis van objectieve en verifieerbare gegevens en met enige soepelheid uitgevoerde rechterlijke toetsing niet betwist dat hij zich geregeld daarnaar begeeft, en van de hoven en rechtbanken wordt verlangd dat zij het bestaan en de omvang van de van dag tot dag in de betrokken Staten uitgeoefende werkzaamheden beoordelen ter bepaling van een percentage van 220 werkdagen, schendt dit artikel dan artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, doordat het een fiscale belemmering vormt waardoor grensoverschrijdende werkzaamheden worden ontmoedigd, alsmede het algemene beginsel van rechtszekerheid, doordat het niet voorziet in een onveranderlijke en betrouwbare vrijstellingsregeling voor alle bezoldigingen die zijn verkregen door een inwoner van België in loondienst van een werkgever met daadwerkelijke bestuurszetel in het Groothertogdom Luxemburg, en deze inwoner het risico loopt van dubbele belastingheffing over het geheel of een deel van zijn inkomsten en wordt onderworpen aan een onvoorzienbare regeling zonder enige rechtszekerheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZ