C-603/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    06 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    22 januari 2018

Trefwoorden: bevoegdheidsverdeling; Verdrag van Lugano

Onderwerp:
-           Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Verdrag van Lugano);

Feiten:

De eerste, tweede en derde verweerster (hierna respectievelijk: Arcadia London, Arcadia Switzerland en Arcadia Singapore) voor de Supreme Court zijn vennootschappen binnen de Arcadia Group. De Arcadia Group is voor 100 % eigendom van de vierde verweerster (hierna: Farahead). Arcadia London, Arcadia Switzerland en Arcadia Singapore hebben zich bezig gehouden met het verhandelen van fysische ruwe olie en olie derivaten. Verzoekers voor de Supreme Court zijn B en H. Zij zijn beide Brits staatsburger en thans woonachtig in Zwitserland. Verweersters hebben het hoofdgeding ingesteld door op 12.02.2015 hun schadevordering en conclusie van eis in te dienen. Zij hebben op voorlopige basis een rauwelijks bevel tot bevriezing van vermogensbestanddelen en andere dwangmiddelen tot rechtsherstel verkregen, die van kracht blijven tegen verzoekers en de andere verweerders in het hoofdgeding, de besluiten zijn met onderlinge instemming van partijen gehandhaafd. De oorspronkelijke conclusie van eis stelde dat het vermeende onrechtmatige gedrag van verzoekers neerkwam op samenspanning met ongeoorloofde middelen, schending van fiduciaire verplichtingen en schending van uitdrukkelijke en/of impliciete contractuele verplichtingen, overeenkomstig de arbeidsovereenkomsten van verzoekers. Bij verzoekschrift van 09.03.2015 hebben verzoekers de bevoegdheid van de Engelse rechter aangevochten op grond dat alle vorderingen van verweersters onder Afdeling 5 van het Verdrag van Lugano vallen en bijgevolg alleen in Zwitserland, waar verzoekers woonachtig zijn, geldend kunnen worden gemaakt. Nadat verzoekers hun betwisting van de rechterlijke bevoegdheid hadden ingediend, is de conclusie van eis gewijzigd. De vordering wegens schending van de overeenkomst is geschrapt, evenals schending van de overeenkomst als ongeoorloofd middel. Op 01.04.2015 is vonnis gewezen door de rechter in eerste aanleg (Verenigd Koninkrijk) waar de rechter heeft geoordeeld dat de Engelse deels rechter bevoegd was aangaande de eisen van verweersters. Verzoekers hebben beroep ingesteld bij de rechter in tweede aanleg. De rechter in tweede aanleg heeft het beroep bij arrest van 19.08.2016 verworpen. De Supreme Court heeft verzoekers toestemming gegeven om hoger beroep in te stellen. De Supreme Court heeft het hoger beroep behandeld op 10 en 11 april 2017.

Overweging:

De verwijzende rechter legt het Hof een aantal vragen voor met betrekking tot de uitlegging van het Verdrag van Lugano. Het geschil voor de nationale rechter betreft de vraag of de Engelse rechter bevoegd is kennis te nemen van bepaalde vorderingen die door verweersters zijn ingediend tegen verzoekers in de procedure voor de Engelse rechter, dan wel of deze vorderingen (of enige daarvan) overeenkomstig artikel 20 van het Verdrag van Lugano moeten worden gebracht voor de Zwitserse rechter (als rechter van de woonplaats van verzoekers).

Prejudiciële vragen:

1. Wat is de juiste toets om vast te stellen of een door een werkgever tegen een werknemer of een voormalige werknemer (hierna: werknemer) aangevoerde vordering een individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst vormt, als bedoeld in Afdeling 5 van Titel II (artikelen 18-21) van het Verdrag van Lugano?

I)         Volstaat het voor een door een werkgever tegen een werknemer aangevoerde vordering om onder de artikelen 18 tot en met 21 te vallen, dat de verweten handelwijze door de werkgever eveneens zou kunnen zijn aangevoerd als schending van de individuele arbeidsovereenkomst door de werknemer – zelfs indien de feitelijk door de werkgever aangevoerde vordering niet steunt op of klaagt over schending van deze overeenkomst, of deze schending aanvoert, maar (bijvoorbeeld) is aangevoerd op een of meerdere van de verschillende gronden, die zijn aangeduid in de punten 26 en 27 van de uiteenzetting van de feiten en de punten van geschil?

II)        Subsidiair, is de juiste toets dat een door een werkgever tegen een werknemer aangevoerde vordering alleen onder de artikelen 18 tot en met 21 valt, indien de verplichting waarop de vordering feitelijk is gebaseerd, een verplichting uit de arbeidsovereenkomst is? Indien dat de juiste toets is, volgt daaruit dan dat een vordering die alleen is gebaseerd op schending van een verplichting die onafhankelijk van de overeenkomst is ontstaan (en, indien relevant, geen verplichting is waarmee de werknemer ‘vrijwillig heeft ingestemd’) niet onder Afdeling 5 valt?

III)       Indien geen van de bovenstaande toetsen de juiste is, wat is dan de juiste toets?

2. Wanneer een vennootschap en een natuurlijke persoon een ‘overeenkomst’ (als bedoeld in artikel 5, punt 1, van het Verdrag) aangaan, in hoeverre moet er dan sprake zijn van ondergeschiktheid tussen de vennootschap en de natuurlijke persoon, opdat deze overeenkomst een individuele arbeidsovereenkomst vormt voor de toepassing van Afdeling 5? Kan er sprake zijn van een dergelijke ondergeschiktheid wanneer de natuurlijke persoon de voorwaarden van zijn overeenkomst met de vennootschap kan vaststellen (en vaststelt) en controle en vrijheid heeft aangaande de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en het verrichten van zijn eigen taken, maar de aandeelhouder(s) van de vennootschap de bevoegdheid hebben om de beëindiging van het dienstverband te bewerkstelligen?

3. Indien Afdeling 5 van Titel II van het Verdrag van Lugano alleen toepasselijk is op vorderingen die, zonder Afdeling 5, onder artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Lugano zouden vallen, wat is dan de juiste toets om vast te stellen of een vordering onder artikel 5, punt 1, valt?

I)         Is de juiste toets dat een vordering onder artikel 5, punt 1, valt, indien de verweten handelwijze geldend zou kunnen worden gemaakt als schending van de overeenkomst, zelfs wanneer de door de werkgever feitelijk aangevoerde vordering niet steunt op of klaagt over schending van de overeenkomst, of deze schending aanvoert?

II)        Subsidiair, is de juiste toets dat een vordering alleen onder artikel 5, punt 1, valt indien de verplichting waarop deze feitelijk is gebaseerd, een contractuele verplichting is? Indien dat de juiste toets is, volgt daaruit dan dat een vordering die alleen is gebaseerd op schending van een verplichting die onafhankelijk van de overeenkomst is ontstaan (en, indien relevant, geen verplichting is waarmee verweerder ‘vrijwillig heeft ingestemd’) niet onder artikel 5, punt 1, valt?

III)       Indien geen van de bovenstaande toetsen de juiste is, wat is dan de juiste toets?

4. In omstandigheden waarin:

I)         vennootschappen A en B beide deel uitmaken van een groep van vennootschappen;
II)        verweerder X feitelijk de taak van CEO van deze groep vennootschappen verricht (zoals Bosworth deed voor de Arcadia Group; Feiten en punten van geschil, punt 14); X werkzaam is bij een vennootschap van de groep, vennootschap A (en aldus een werknemer van vennootschap A is) (zoals Bosworth in de uiteengezette omstandigheden van tijd tot tijd was; Feiten en punten van geschil, punt 15); en niet overeenkomstig nationaal recht werkzaam is bij vennootschap B;

III)       vennootschap A vorderingen instelt tegen X en deze vorderingen onder de artikelen 18 tot en met 21 vallen; en

IV)       de andere vennootschap van de groep, vennootschap B, eveneens vorderingen instelt tegen X, met betrekking tot een soortgelijke handelwijze als die welke de grond vormt waarop de vordering van vennootschap A tegen X is gebaseerd;

wat is de juiste toets om vast te stellen of de vordering van vennootschap B onder Afdeling 5 valt? Meer in het bijzonder:

1) Is het antwoord afhankelijk van de vraag of er, zoals tussen X en vennootschap B, sprake was een „individuele arbeidsovereenkomst” als bedoeld in Afdeling 5 en, zo ja, wat is dan de juiste toets om vast te stellen of er sprake was van een dergelijke overeenkomst?

2) Moet vennootschap B worden beschouwd als de „werkgever” van X voor de toepassing van Afdeling 5 van Titel II van het Verdrag, en/of vallen de vorderingen van vennootschap B tegen X (in punt 4, punt 4, hierboven) onder de artikelen 18 tot en met 21, op dezelfde wijze als de vorderingen van vennootschap A onder de artikelen 18 tot en met 21 vallen? Meer in het bijzonder:

a)         valt de vordering van vennootschap B alleen onder artikel 18 indien de verplichting waarop deze feitelijk is gebaseerd, een verplichting is uit de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap B en X?

b)         Subsidiair, valt de vordering onder artikel 18 indien de in de vordering verweten handelwijze schending van een verplichting uit de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap A en X zou hebben gevormd?

3) Indien geen van de bovenstaande toetsen de juiste is, wat is dan de juiste toets?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV