C-609/17 en C-610/17 TSN e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraken, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    25 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    11 februari 2018

Trefwoorden: arbeidvoorwaarden en arbeidsrecht; arbeidstijden

Onderwerp:
-           Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (hierna: arbeidstijdenrichtlijn);
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest);

Feiten:

Dit fiche betreft twee zaken die gevoegd zijn voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest. In deze zaken gaat het om werknemers die arbeidsongeschikt zijn gedurende een deel van hun vakantie. In zaak C-609/17 gaat het om een vooraf aangekaarte operatie, in zaak C-610/17 gaat het om ziekte dat tijdens de vakantie ontstaat. De werknemers verzoeken om overdracht van de vakantiedagen voor een later moment. In zaak C-609/17 kent de werkgever dat voor 2 (van de 6) vakantiedagen toe, omdat deze 2 vakantiedagen gebaseerd zijn op de vuosilomalaki (de vuosilomalaki (162/2005) heeft artikel 7 van de arbeidstijdenrichtlijn omgezet in nationaal recht). De overige 4 vakantiedagen zijn gebaseerd op de cao en worden niet overgedragen. In zaak C-610/17 kent de werkgever helemaal geen overdracht van vakantiedagen toe en behandelt de ziekteperiode als een vakantieperiode. In allebei de zaken wordt er beroep ingesteld door verzoekers; de overkoepelende verenigingen van de werknemers. Verzoeksters vorderen in hun beroep onder meer dat wordt vastgesteld dat de werknemers het recht hebben om vanwege arbeidsongeschiktheid de op basis van de cao vastgestelde vakantie op een later tijdstip op te nemen. Volgens verzoekers moet de rechtspraak van het Hof aldus worden uitgelegd dat de bescherming van opgebouwde vakantie niet is beperkt tot de in artikel 7(1) van de arbeidstijdenrichtlijn voorziene jaarlijkse minimumvakantie, maar dat opgebouwde vakantie die langer is dan de jaarlijkse minimumvakantie ook volledige bescherming geniet. Volgens verweerders en de werkgevers voorziet de arbeidstijdenrichtlijn niet in een recht op een jaarlijkse vakantie van meer dan vier weken en kunnen de lidstaten in een cao voorwaarden vastleggen voor de uitoefening van het recht op een vakantie die de in de arbeidstijdenrichtlijn voorziene vakantie overschrijdt. Volgens verweerders en de werkgevers valt uit artikel 31(2) van het Handvest geen ruimer recht op een jaarlijkse vakantie af te leiden dan het recht op een jaarlijkse vakantie van vier weken waarin de arbeidstijdenrichtlijn voorziet.

Overweging:

Uit de overwegingen van de verschillende arresten van het Hof (zie ‘Aangehaalde jurisprudentie’) volgt volgens de verwijzende rechter dat de rechtspraak van het Hof geen vaste lijn biedt op grond waarvan kan worden vastgesteld of de in het kader van de cao voor de gezondheidszorg toegepaste bepaling van §25 eerste alinea van de vuosilomalaki verenigbaar is met de voorschriften van het Unierecht, met name van artikel 7(1) van de arbeidstijdenrichtlijn en artikel 31(2) van het Handvest. Omdat de beslissingen van de verwijzende rechter volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is de verwijzende rechter gehouden zich tot het Hof te wenden.

Prejudiciële vragen:

1) Staat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de weg aan een bepaling in een nationale cao of een uitlegging daarvan, volgens welke een werknemer, die bij het begin van zijn vakantie of een deel daarvan arbeidsongeschikt is, geen recht heeft om op zijn verzoek in aanmerking te komen voor overdracht van de op die periode betrekking hebbende op de cao gebaseerde vakantie, wanneer het niet-overdragen van de op de cao gebaseerde vakantie het recht van de werknemer op een jaarlijkse vakantie van vier weken onverlet laat?

2) Heeft artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechtstreekse werking ten aanzien van een arbeidsverhouding tussen particuliere rechtssubjecten, dus horizontale rechtstreekse werking?

3) Wordt opgebouwde vakantie die de in artikel 7, lid 1, van de arbeidstijdenrichtlijn voorziene jaarlijkse minimumvakantie van vier weken te boven gaat beschermd door artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en staat deze bepaling van het Handvest in de weg aan een bepaling in een nationale cao of een uitlegging, volgens welke een werknemer die bij het begin van zijn vakantie of een deel daarvan arbeidsongeschikt is, geen recht heeft om op zijn verzoek in aanmerking te komen voor overdracht van de op die periode betrekking hebbende op de cao gebaseerde vakantie, wanneer het niet-overdragen van de op de cao gebaseerde vakantie het recht van de werknemer op een jaarlijkse vakantie van vier weken onverlet laat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Sobczyszyn C-178/15; Commissie/Strack T-268/11 P; Commissie/Strack C-579/12 RX-II; Neidel C-337/10; Maschek C-341/15; Dominguez C-282/10; Heimann en Toltschin C-229/11 en C-230/11; Vicente Pereda C-277/08.

Specifiek beleidsterrein: SZW