C-628/16 Kreuzmayr

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   27 januari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   13 maart 2017

Trefwoorden: btw; intracommunautaire leveringen

Onderwerp: - richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1).

De zaak gaat over leveringen in het tijdvak april – oktober 2007. X1 handelt in aardolieproducten, hij heeft productcontingenten in verschillende DUI raffinaderijen. Hij verkoopt producten aan X2 die zich ertoe verbindt om de producten van DUI naar OOS te vervoeren; X2 gebruikt daarvoor zijn OOS btw-nummer. X2 verkoopt de producten door aan X3 (verzoeker) en komt met verzoeker overeen dat verzoeker de producten van DUI naar OOS transporteert waarvoor X2 aan verzoeker de nodige documenten ter hand stelt. X2 verzuimt X1 hierover in te lichten. X1 beschouwt zijn leveringen als belastingvrije intracommunautaire leveringen. Verzoeker betaalt de door X2 uitgereikte facturen met OOS btw en verrekent deze in 2008. Deze aftrek wordt door verweerster (belastingdienst) aanvaard maar later, na een controle, komt aan het licht dat X2 de btw niet heeft aangegeven noch afgedragen. X2 rechtvaardigt dit door te stellen dat zijn leveringen aan verzoeker in DUI hebben plaatsgevonden en dan ook belastingvrij zijn. X2 stelt gewijzigde facturen op voor X3 zonder btw, maar betaalt de eerder vermelde btw niet aan verzoeker terug. Navordering is niet meer mogelijk omdat X2 inmiddels insolvent is verklaard. Verzoeker stelt dat er geen grond voor wijziging van de facturen was, maar verweerster schrapt de vooraftrek van verzoeker vanwege de plaats van levering (niet in OOS). Verzoeker legt de zaak voor aan de belastingrechter die 05-02-2013 zijn beroep toewijst. Verweerster gaat daartegen met succes in beroep: het Verwaltungsgerichtshof vernietigt 29-06-2016 de eerdere uitspraak: ondanks mogelijke goede trouw bij de levering van X1 aan X2 volgt daaruit niet dat verzoeker btw kan aftrekken voor facturen die (objectief gezien) intracommautaire leveringen van X2 aan verzoeker betreffen. De rechter is niet ingegaan op het door verzoeker gestelde dat conform arrest C-430/09 hier sprake zou zijn van ‘bewegte Lieferung’ (intracommunautair) tussen X1 en X2 waardoor de leveringen van X2 aan verzoeker geen verplaatsing inhouden (‘ruhende Lieferung’) en dus in OOS zijn verricht.

De verwijzende OOS rechter (Bundesfinanzgericht) haalt het arrest C-430/09 aan waarin het HvJEU uiteen heeft gezet hoe in geval van twee leveringen (terwijl volgens RL 2006/112 slechts één levering intracommunautair kan zijn) moet worden geoordeeld. In C-273/11 heeft het HvJEU erop gewezen dat de beoordeling van een levering afhangt van de gegevens die de leverancier van zijn afnemer ontvangt (hetgeen in casu is misgegaan). Hij legt hij de volgende vragen voor aan het HvJEU:

Vraag 1: Moet in gevallen zoals dat in het hoofdgeding, waarin een belastingplichtige X1 over in lidstaat A opgeslagen goederen beschikt en deze goederen heeft verkocht aan een belastingplichtige X2, die ten aanzien van X1 het voornemen heeft geuit om de goederen naar lidstaat B te vervoeren en ten aanzien van hem zijn btw-identificatienummer van lidstaat B heeft gebruikt; X2 deze goederen heeft doorverkocht aan een belastingplichtige X3, waarbij X2 en X3 overeenkwamen dat X3 de goederen van lidstaat A naar lidstaat B zou vervoeren of laten vervoeren, X3 de goederen van lidstaat A naar lidstaat B heeft vervoerd of laten vervoeren en X3 reeds in lidstaat A over de goederen kon beschikken als een eigenaar; X2 echter niet aan X1 heeft meegedeeld dat hij de goederen reeds doorverkocht voordat zij lidstaat A verlieten, en X1 ook niet kon weten dat het niet X2 was die de goederen van lidstaat A naar lidstaat B zou vervoeren of laten vervoeren, het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de plaats van levering van X1 aan X2 wordt bepaald overeenkomstig artikel 32, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG, zodat de levering van X1 aan X2 de intracommunautaire levering (met verplaatsing) (“bewegte Lieferung”) is?

Vraag 2: Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, moet het Unierecht dan aldus worden uitgelegd dat X3 de btw van lidstaat B die X2 hem heeft gefactureerd, toch mag aftrekken als voorbelasting, voor zover hij de afgenomen goederen gebruikt voor zijn in lidstaat B belaste handelingen en hem geen misbruik van aftrek kan worden verweten?

Vraag 3: Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord en X1 later te weten komt dat X3 het vervoer heeft georganiseerd en reeds in lidstaat A als een eigenaar over de goederen kon beschikken, moet het Unierecht dan aldus worden uitgelegd dat de levering van X1 aan X2 met terugwerkende kracht haar aard van intracommunautaire levering verliest (dat zij met andere woorden met terugwerkende kracht als de zogenaamde levering zonder verplaatsing – “ruhende Lieferung” – moet worden beschouwd)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-430/09 Euro Tyre; C-273/11 Mecsek-Gabona

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten