C-630/16 Anstar

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   10 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       27 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   27 maart 2017

Trefwoorden: vrij verkeer goederen; CE-markering

Onderwerp: - VWEU artikel 34 (verbod kwantitatieve invoerbeperkingen);

- Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93;

- verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van richtlijn 89/106/EEG van de Raad;

Verweerder (Fins agentschap voor veiligheid en chemicaliën = Tukes) heeft op 21-11-2013 op grond van artikel 59.1 van Vo. 305/2011 verzoekster gesommeerd de CE-markering van haar producten te verwijderen en levering en verkoop ervan te staken. Het gaat om ophangsystemen aan gebouwen (ankers e.d.), waaronder een ‘balkonscharnier’.

De EURCIE heeft een mandaat verstrekt (M/116) over ophanginstallaties ter aanvulling van gemetselde bouwonderdelen. Een CE-markering van die elementen kan uitsluitend plaatshebben overeenkomstig een geharmoniseerde norm die is opgesteld op grond van dat mandaat. Verweerder stelt dat de genoemde producten niet onder de werkingssfeer van het mandaat M/120 en de norm EN 1090-1 vallen. Verzoekster heeft dan ook niet voldaan aan de verplichting van artikel 4.1 van Vo. 305/2011 met betrekking tot de voorwaarden voor het opstellen van een prestatieverklaring en evenmin conform artikel 8.2 aan de voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering. Verzoekster gaat in beroep tegen het besluit van verweerder. Zij stelt dat de in het besluit genoemde producten onder de werkingssfeer van de geharmoniseerde norm EN 1090-1 + A1 vallen aangezien ze in het EURCIE-Mandaat M/120 genoemd worden. Er is dus voldaan aan de verplichtingen voor aanbrengen CE-markering. Zij geeft daarbij een nadere omschrijving over de (werking van) de betreffende producten.

De verwijzende FIN rechter (Admin Rb) stelt vast dat het hier niet om een veiligheidsgebrek gaat van verzoeksters producten maar om een louter administratief probleem met betrekking tot de CE-markering. Verzoekster stelt met name dat de uitleg door verweerder afwijkt van de praktijk in andere EULS, hetgeen in strijd met het beginsel van het vrij verkeer van goederen. Buiten FIN kan zij haar producten zonder problemen verkopen. Zij stelt dat zij haar producten op dezelfde wijze markeert als vele andere EUR ondernemingen die hun producten zonder problemen naar FIN exporteren. Zij geeft een beschrijving per product.

Verweerder is van mening dat het er bij de toepassing van een norm op aankomt voor welk doel een bouwproduct wordt gebruikt, of de EURCIE voor dit gebruik een mandaat voor het opstellen van een geharmoniseerde norm voor het product heeft verstrekt en of dat voor een bepaald gebruik van het product een EUR technische goedkeuring is verleend.

De rechter constateert dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of verzoeksters producten onder de werkingssfeer van de geharmoniseerde norm EN 1090-1 en het door de EURCIE verstrekte mandaat M/120 vallen. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Dienen het mandaat M/120 en de op grond daarvan opgestelde geharmoniseerde norm EN 1090-1 (:2009+A1:2011) aldus te worden uitgelegd dat de in de nummers 1 tot en met 4 van het besluit van het Tukes genoemde producten ter bevestiging in beton voordat dit hard wordt (ophangsystemen die worden gebruikt om schaalelementen en metselschoren aan het geraamte van een gebouw te bevestigen, bepaalde ankerbouten, ankerplaten, standaard stalen inbouwonderdelen, windschoorsystemen, kolom- en wandschoenen, alsook balkonaansluitingen), niet onder de werkingssfeer ervan vallen?

2. Staan verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van richtlijn 89/106/EEG van de Raad, de in casu genoemde door de Commissie verstrekte mandaten of het Unierecht anderszins in de weg aan de door het Tukes gegeven uitlegging dat de genoemde producten niet onder de werkingssfeer van het mandaat M/120 en de norm EN 1090-1 vallen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-613/14 James Elliot;

Specifiek beleidsterrein: IenM en EZ
 

Gerelateerde documenten