C-630/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    25 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    11 februari 2018

Trefwoorden:

Onderwerp:
-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;
-           VWEU (artikelen 56 en 63);

Feiten:

Op 05.01.2007 sloten eiseres, onderdaan van de Republiek Kroatië, en haar inmiddels overleden echtgenoot met gedaagde, een in de Republiek Oostenrijk gevestigde rechtspersoon, een overeenkomst inzake een eenmalig krediet van €47.000. Eiseres gaf op 12.01.2007 tot zekerheid van de terugbetaling van het krediet een notarieel vastgelegde garantieverklaring af, op basis waarvan een hypotheek op haar onroerende goederen in het kadaster werd ingeschreven. Op 23.04.2015 stelde eiseres bij de verwijzende rechter tegen gedaagde een vordering in tot vaststelling van de nietigheid van de overeenkomst inzake het eenmalige krediet van 05.01.2007 en de notarieel vastgelegde garantieverklaring van 12.01.2007, alsmede tot uitschrijving van de tot zekerheid van die lening ingeschreven hypotheek uit het kadaster. De verwijzende rechter heeft de mondelinge behandeling op 03.07.2017 gesloten, doch bij beslissing van 10.08.2017 heropend, vanwege de inwerkingtreding van de wet van 14.07.2017, waarvan de bepalingen mogelijk op het hoofdgeding van toepassing zijn. De partijen zijn het oneens of de kredietovereenkomst na bemiddeling van een derde tot stand is gekomen in de Republiek Kroatië, en of daarop Kroatisch recht van toepassing is, zoals eiseres – die zich beroept op de nietigheid van de overeenkomst – betoogt, of dat die overeenkomst is gesloten in de Republiek Oostenrijk, zonder bemiddeling van een derde, zodat daarop Oostenrijks recht van toepassing is, zoals gedaagde – die de nietigheid van de overeenkomst betwist – betoogt. Eiseres stelt dat gedaagde via een netwerk van tussenpersonen zaken doet in kredietaangelegenheden, dat gedaagde geen vergunning heeft voor het verlenen van financiële diensten van de centrale bank van Kroatië en dat de Kroatische wetgeving moet worden toegepast. Eiseres wijst erop dat onrechtmatigheid - overeenkomstig artikel 322 wet inzake verbintenisrechtelijke betrekkingen (hierna: ZOO) - leidt tot nietigheid van de verrichte transacties. Gedaagde stelt dat de vordering van eiseres geheel ongegrond is en dat zij heeft voldaan aan haar contractuele verplichting. Tevens stelt gedaagde dat het Oostenrijks recht hier van toepassing is en wanneer er geen overeenstemming bestaat over de vraag welk recht van toepassing is, het recht van de Republiek Oostenrijk van toepassing is, daar de gehele transactie werd afgehandeld (via een kredietinstelling) in de Republiek Oostenrijk.

Overweging:

Hoewel de aan de orde zijnde rechtshandelingen zijn verricht vóór de toetreding van de Republiek Kroatië tot de EU, blijven de uit deze handelingen voortvloeiende rechten en verplichtingen ook uitvoerbaar na de toetreding. Derhalve moeten volgens de verwijzende rechter alle na de toetreding tot de EU vastgestelde bepalingen die gevolgen hebben voor nog steeds uitvoerbare rechten en verplichtingen uit de overeenkomst, of die terugwerkende kracht hebben, in overeenstemming zijn met het recht van de EU. In de onderhavige zaak acht de verwijzende rechter het van belang te vernemen of de in casu aan de orde zijnde contractuele relatie, gelet op de speciale rechten van consumenten, moet worden aangemerkt als een consumentenovereenkomst, wanneer de schuldenaar een natuurlijke persoon is die een kredietovereenkomst heeft gesloten met het oog op de inrichting van vakantieappartementen in zijn huis, welke lening hij wil terugbetalen met de huurinkomsten uit die vakantieappartementen, hetgeen volgens de verwijzende rechter is bevestigd door de getuigenverklaring van eiseres in het hoofdgeding.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de artikelen 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de bepalingen van de Zakon o ništetnosti ugovora o kreditu s međunarodnim obilježjima sklopljenih u republika Hrvatskoj s neovlaštenim vjerovnikom (Wet op de nietigheid van in de Republiek Kroatië met een onbevoegde schuldeiser gesloten kredietovereenkomsten met internationale aspecten; Narodne novine [(publicatieblad)] nr. 72/2017), en met name tegen artikel 10 daarvan, dat bepaalt dat kredietovereenkomsten en andere rechtshandelingen die voortvloeien uit een overeenkomst die is gesloten tussen een schuldenaar (in de zin van de artikelen 1 en 2, lid 1, van voornoemde wet) en een onbevoegde schuldeiser (in de zin van de artikel 2, lid 2, van die wet), of daarop zijn gebaseerd, ook wanneer zij gesloten zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet, nietig zijn vanaf het moment waarop zij zijn gesloten, hetgeen met zich meebrengt dat elk van de partijen bij de overeenkomst verplicht is om aan de wederpartij alles terug te geven wat deze op basis van de nietige overeenkomst heeft ontvangen en, als dit niet mogelijk is of, als de aard van hetgeen ter nakoming is verricht zich tegen de teruggave verzet, deze een passende financiële compensatie dient te betalen op basis van de prijzen die gelden op het moment van de rechterlijke beslissing?

2) Moet verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), en met name de artikelen 4, lid 1, en 25 daarvan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de bepalingen van artikel 8, leden 1 en 2, van de Zakon o ništetnosti ugovora o kreditu s međunarodnim obilježjima sklopljenih u republika Hrvatskoj s neovlaštenim vjerovnikom (Narodne novine [(publicatieblad)] nr. 72/2017), volgens welke bij geschillen die verband houden met leningovereenkomsten met internationale aspecten, in de zin van die wet, de schuldenaar de nietbevoegde schuldeiser kan dagen voor de gerechten van de staat waar die schuldeiser zijn zetel heeft, of, ongeacht de plaats van de zetel van de nietbevoegde schuldeiser, voor de gerechten van de plaats waar de schuldenaar zijn persoonlijke woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, terwijl de nietbevoegde schuldeiser, in de zin van de voornoemde wet, de schuldenaar enkel kan dagen voor de gerechten van de staat waar de schuldenaar zijn persoonlijke woonplaats of maatschappelijke zetel heeft?

3) Is er sprake van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en overige onderdelen van het juridisch acquis van de Unie, wanneer de kredietnemer een natuurlijke persoon is, die een kredietovereenkomst heeft afgesloten met de bedoeling om te investeren in vakantieappartementen, teneinde activiteiten uit te oefenen op het gebied van accomodatie en aan toeristen diensten in verband met privélogies aan te bieden?

4) Moet het bepaalde in artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat de gerechten van de Republiek Kroatië bevoegd zijn in een procedure over de vaststelling van de nietigheid van een kredietovereenkomst en de bijbehorende garantieverklaringen en over de uitschrijving van een hypotheek uit het kadaster, wanneer die hypotheek tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen uit de kredietovereenkomst is gevestigd op onroerend goed van de schuldenaar dat is gelegen op het grondgebied van de Republiek Kroatië?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Gruber C-464/01; Benincasa C-269/95.

Specifiek beleidsterrein: EZK; JenV