C-636/17 Germanwings

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    28 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    14 februari 2018

Trefwoorden: compensatie luchtpassagiers

Onderwerp:
-           Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening).

Feiten:

Verzoekster beschikte over een bevestigde boeking voor een vlucht op 30.05.2015 van Wenen via Düsseldorf naar Newark. Door de vertraging van de voorafgaande vlucht, was het voor verweerster duidelijk dat verzoekster de aansluitende vlucht waarschijnlijk niet meer tijdig zou halen. Niettemin hield verweerster eraan vast verzoekster met de reeds vertraagde vlucht naar Düsseldorf te vervoeren. Verzoekster miste hierdoor haar vlucht naar Newark en is toen via München naar Newark gevlogen en kwam daar vier uur en 25 minuten later aan dan oorspronkelijk gepland. Verweerster heeft niet geprobeerd om verzoekster reeds in Wenen op een eerdere vlucht naar Newark (of een andere luchthaven in de regio New York City) via een andere Europese luchthaven of op een rechtstreekse vlucht om te boeken. Verzoekster verzoekt om toewijzing van een compensatie ten belope van €600 inclusief rente overeenkomstig artikel 7(1) van de verordening en voert aan dat de vertraging niet te wijten is aan buitengewone omstandigheden. Volgens haar heeft verweerster evenwel ook niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te voorkomen en met name te zorgen voor een tijdige aankomst in Newark. Verweerster heeft verzocht om afwijzing van de vordering en heeft betoogd dat de vertraging van de voorafgaande vlucht te wijten was aan buitengewone omstandigheden die niet hadden kunnen worden vermeden. De reglementering van de toegang tot de luchthaven Wenen en de toewijzing van slots zijn volgens haar overheidstaken, waarop zij geen invloed heeft. Verweerster heeft geen mogelijkheid gehad om de vertraging te voorkomen of te beperken. Een omboeking van verzoekster op een andere vlucht van Wenen naar Düsseldorf was niet mogelijk. De door verzoekster geboekte vlucht op 30 mei 2015 was de enige vlucht van Düsseldorf naar Newark. Met de omboeking via München en vandaar naar Newark heeft verweerster naar eigen zeggen de vroegst mogelijke omboeking uitgevoerd. De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek in volle omvang toegewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep van verweerster.

Overweging:

Ondanks de voor de hand liggende uitlegging (C-402/07, C-549/07) dat de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, enkel alle redelijke maatregelen ter voorkoming van de aan de annulering of de grote vertraging ten grondslag liggende buitengewone omstandigheid, dus niet ter voorkoming van de annulering of de grote vertraging zelf dient te treffen, wordt deze zienswijze niet door alle nationale rechterlijke instanties gedeeld. De Oostenrijkse hoogste federale rechter in civiele en strafzaken heeft in zijn beslissing (7 Ob 65/13) de luchtvaartmaatschappij veroordeeld tot betaling van compensatie op grond van artikel 7 van de verordening, omdat deze maatschappij in de procedure niet heeft weten duidelijk te maken alle redelijke maatregelen ter voorkoming van de annulering van de vlucht te hebben getroffen, en niet enkel redelijke maatregelen ter voorkoming van het buiten gebruik zijn van start- en landingsbanen. Bijgevolg kan niet worden uitgegaan van een acte clair. De eerste vraag is reeds in zaak C-658/13 aan het Hof van Justitie voorgelegd, maar na intrekking van het verzoek om een prejudiciële beslissing door het Landgericht Hannover is de doorhaling van de zaak gelast.

Prejudiciële vragen:

1.  Moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat „alle redelijke maatregelen” die de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, in geval van buitengewone omstandigheden moet hebben getroffen om een verplichting tot betaling van compensatie krachtens artikel 7 van die af te wenden, enkel op de voorkoming van de „buitengewone omstandigheden“ [in casu de toewijzing van nieuwe (latere) „air-traffic-control-slots” door de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol)] gericht moeten zijn; of dient de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, bovendien ook redelijke maatregelen te treffen om de annulering of de grote vertraging zelf te voorkomen?

2. Indien de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, inderdaad redelijke maatregelen moet treffen om een grote vertraging zelf te voorkomen, moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 dan aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij ter afwending van een verplichting tot betaling van compensatie krachtens artikel 7 van die verordening er bij een vervoer van passagiers op een uit twee (of meer) vluchten bestaande luchtverbinding mee kan volstaan redelijke maatregelen te treffen om te voorkomen dat de door haar uit te voeren vlucht die vertraging dreigt op te lopen, daadwerkelijk vertraging oploopt; of moet zij bovendien redelijke maatregelen treffen om te voorkomen dat de individuele passagier met grote vertraging op de eindbestemming aankomt (bijvoorbeeld door na te gaan of een omboeking op een andere vlucht mogelijk is)?

3. Moeten de artikelen 5, 6, 7 en 8 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake [Or. 3] compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, ingeval de eindbestemming met grote vertraging wordt bereikt, een verplichting tot betaling van compensatie krachtens artikel 7 van die verordening enkel kan afwenden door te stellen en te bewijzen dat zij redelijke maatregelen heeft getroffen om de passagier om te boeken op een vlucht waarmee deze de eindbestemming naar verwachting zonder grote vertraging zal bereiken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Sturgeon e.a. C-402/07 en C-432/07; Folkerts C-11/11; Wallentin-Hermann C-549/07; Spitzner/TUIfly C-658/13.

Specifiek beleidsterrein: IenW