C-644/16 Synthon

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   10 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       13 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   13 maart 2017

Trefwoorden: intellectuele eigendom (IE); geneesmiddelen; exhibitievordering

Onderwerp: - richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PbEG L 157/45 = Handhavingsrichtlijn)

Uit een tussenarrest van Hof Arnhem van 24-02-2015 blijken de volgende feiten: Verweerster Astrellas was houdster van een (inmiddels verlopen) EUR octrooi voor een hydrogel preparaat voor vertraagde afgifte van een geneesmiddel. Zij treft op de SPA markt tabletten aan met vertraagde afgifte waarvan op de bijsluiter de naam van verzoekster (en Synthon Hispania) als fabrikanten vermeld staan. Synthon Hispania wordt in SPA veroordeeld tot staking van de inbreuk op verweersters octrooi. Verweerster laat in NL bewijsbeslag onder verzoekster leggen en eist in kort geding inzage in het in beslag genomen materiaal (‘exhibitievordering’). Verzoekster stelt dat verweersters octrooi nietig is.

Op 06-10-2015 legt Hof Arnhem prejudiciële vragen voor aan de HR over deze zaak. Het gaat dan met name om de vraag aan welke maatstaf ten minste dient te worden voldaan om aan te nemen dat sprake is van een ‘rechtsbetrekking’ zoals vereist voor toewijzing van een vordering uit hoofde van BRv artikel 843a indien die rechtsbetrekking bestaat uit een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op IE. In arrest AIB/Novisem heeft de HR deze vraag al beantwoord: degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt moet zodanige feiten en omstandigheden stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een IE-recht is of dreigt te worden gemaakt. Wat dan onder ‘voldoende’ moet worden beschouwd kan slechts achteraf worden beoordeeld aan de hand van wat partijen hebben ingebracht. De verwijzende NL HR wijst op de memorie van toelichting bij de wet tot implementatie van de Handhavingsrichtlijn waarin het vierde lid van BRv 843a buiten toepassing is verklaard voor wat betreft IE-zaken. De rechter behoudt zo de mogelijkheid te voorkomen dat een exhibitievordering uitmondt in een ‘fishing expedition’ en zal dus altijd de noodzaak tot bescherming van vertrouwelijke informatie van een verwerende partij moeten meewegen alvorens een zo ingrijpende maatregel als exhibitie toe te wijzen. In onderhavige zaak is vastgesteld (bij het tussenarrest van 24-02-2015) dat verweerster bewijs wil vergaren van haar stelling dat verzoekster inbreuk op haar octrooi heeft gemaakt. Dan rijst wel de vraag of volgens artikel 6 van RL 2004/48 bij de aan te leggen maatstaf voor toewijsbaarheid van een exhibitievordering onderscheid moet worden gemaakt al naar gelang de partij van wie exhibitie wordt verlangd, een (beweerdelijke) inbreukmaker is of een derde. Het HvJEU heeft over die kwestie nog geen uitspraak gedaan. Dit leidt tot de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU:

1. a. Moet art. 6 Handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat bij de aan te leggen maatstaf voor toewijsbaarheid van een exhibitievordering onderscheid moet worden gemaakt al naargelang de partij van wie exhibitie wordt verlangd, een (beweerdelijke) inbreukmaker is of een derde?
    b. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, in welk opzicht verschillen dan die maatstaven?

2. a. Indien tegen een exhibitievordering een verweer wordt gevoerd dat inhoudt dat het recht van intellectuele eigendom op grond waarvan de exhibitie wordt verlangd, nietig is (of niet langer bestaat), dient dan de gegrondheid van dat verweer aan de hand van dezelfde maatstaf te worden beoordeeld als die welke geldt voor de vraag naar de aannemelijkheid van de gestelde inbreuk (aangenomen dat het ingeroepen recht van intellectuele eigendom bestaat)?
    b. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, in welk opzicht verschillen dan die maatstaven?
    c. Dient bij de beantwoording van vragen 2(a) en 2(b) onderscheid te worden gemaakt al naargelang het betrokken recht van intellectuele eigendom is verleend nadat het op geldigheid is onderzocht (zoals een Europees octrooi), dan wel van rechtswege is ontstaan (zoals een auteursrecht)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ
 

Gerelateerde documenten