C-645/16 Conseils et mise en relations (CMR)

Prejudiciële hofzaak

 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

 

Termijnen: Motivering departement:   10 februari 2017

Concept schriftelijke opmerkingen:       27 februari 2017

Schriftelijke opmerkingen:                   27 maart 2017

 

Trefwoorden: handelsagenten; gevolgen opzegging tijdens proefperiode

 

Onderwerp: - Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten

 

Verzoekster CMR is een handelsvennootschap; zij sluit met de vennootschap Demeures terre et tradition (DTT) een agentuurovereenkomst voor de verkoop van afzonderlijke woningen in een bepaalde sector. Er is een proefperiode van twaalf maanden opgenomen, waarna de overeenkomst voor onbepaalde tijd zou gelden. DTT zegt de overeenkomst tijdens de proefperiode op wegens niet bereiken van de overeengekomen doelen. CMR dagvaardt haar tot schadevergoeding, zij stelt onrechtmatige opzegging. Het Hof Orléans wijst 18-12-2014 de vordering af; het oordeelt dat de hoedanigheid van handelsagent pas ontstaat na een definitief gesloten overeenkomst, een proefperiode is toegestaan en de schadevergoeding zoals in het Wb Koophandel geregeld tijdens een proefperiode niet van toepassing. Het achtte de opzegging niet onrechtmatig gezien er in vijf maanden slechts één verkooptransactie was gerealiseerd terwijl de overeenkomst ziet op vijfentwintig per jaar. Verzoekster gaat tegen dat oordeel in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

 

De verwijzende FRA rechter (Hof van Cassatie) stelt vast dat het vaste rechtspraak van zijn kamer voor handels-, financiële en economische zaken is dat het niet verboden is om in agentuurovereenkomsten een proefperiode te bedingen. Richtlijn 86/653 bevat geen bepalingen die verwijzen naar een eventuele proefperiode, zodat het erop lijkt dat een dergelijke periode door de partijen bij een agentuurovereenkomst kan worden bedongen zonder in strijd te geraken met het gemeenschapsrecht. Ook is vaste rechtspraak dat geen enkel recht op schadevergoeding ontstaat wanneer de agentuurovereenkomst wordt opgezegd tijdens de proefperiode en partijen daarin niet hebben voorzien. Hij wijst op arresten van het HvJEU waarin is geoordeeld dat RL 86/653 met name beoogt de handelsagent in zijn betrekkingen met de principaal te beschermen (artikel 17 lid 2). Het HvJEU heeft zich echter niet uitgelaten over de vraag of artikel 17 van de RL van toepassing is wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bedongen proefperiode. Die vraag legt hij dan ook voor aan het HvJEU:

 

 “Is artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, van toepassing wanneer de agentuurovereenkomst wordt beëindigd tijdens de daarin bedongen proefperiode?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-315/14 Marchon Germany; C-338/14 Quenon K;

 

Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten