C-648/16

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   14 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       1 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   31 maart 2017

Trefwoorden: btw; aftrek voorbelasting; inductieve vaststelling; neutraliteitsbeginsel

Onderwerp: - VWEU artikel 113 (harmonisatie belastingen); artikel 114 (wetgevingsprocedure);
- richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Verzoekster komt op tegen een aanslag diverse (inkomsten)belastingen en de btw over 2010 die zij op 24-12-2014 heeft ontvangen. Zij werkt als arbeidsconsulent en is ingeschreven in de diverse registers. Haar inkomsten zijn door de belastingdienst (verweerster) naar boven bijgesteld (meer dan verdubbeld) waardoor haar belastingen navenant zijn gestegen, daarboven nog vermeerderd met een sanctiebedrag. De aanslag is voortgekomen uit een zogenaamd brancheonderzoek, een (steekproef-)instrument van de ITA fiscus waarbij aan de hand van een aantal vragen over de bedrijfsmiddelen en activiteiten van belastingplichtigen hun capaciteit om inkomsten te genereren wordt beoordeeld.

Vezoekster is tevoren in kennis gesteld en gehoord, waarbij zij de hogere inkomsten heeft betwist. Verweerster heeft de overgelegde documenten als niet geldig beoordeeld en verzoekster ingedeeld in de categorie belastingconsulenten. Verzoekster vecht de brancheonderzoeken op zich aan en stelt dat een latere versie van het betreffende brancheonderzoek gunstiger voor haar zou uitpakken. Verweerster voert aan dat de aanslag voortvloeit uit het wettelijk geregelde branchonderzoek en is vastgesteld nadat een vergelijking is gemaakt met de door verzoekster ingediende gegevens over 2011.

Op 03-05-2016 komt de zaak voor de verwijzende rechter die een beschrijving geeft van de in de betreffende ITA wet opgenomen clusters. Partijen zijn het niet eens over het cluster waaronder verzoeksters activiteiten moeten worden ingedeeld. De gegevens in een brancheonderzoek vormen volgens de algemene beginselen van de verdeling van de bewijslast een eenvoudig vermoeden en het is aan de belastingplichtige het bewijs te leveren dat zijn activiteit anders moet worden gekwalificeerd. Volgens de rechter heeft verzoekster de door haar voorgestane indeling onvoldoende aangetoond. Met betrekking tot de verhouding tussen de aanslag en de btw-regeling klaagt verzoekster dat de btw-regeling niet wordt toegepast op de resultaten van de afzonderlijke handelingen die door de belastingplichtige zijn verricht of op de som ervan, maar op de totale omzet die door middel van inductie is afgeleid en waarbij zowel de boekhoudkundige gegevens als daadwerkelijke controles buiten beschouwing zijn gelaten. Verzoekster stelt voor hierover een vraag aan het HvJEU voor te leggen. De verwijzende rechter sluit niet uit dat de ITA regeling met het oog op de belastingneutraliteit onverenigbaar is met EUrecht, met name wanneer de belasting wordt toegepast op een omzet als geheel die inductief is afgeleid. Aangezien de rechter nog geen rechtspraak over deze vraag bekend is besluit hij de volgende vraag voor te leggen aan het HvJEU:

“Is de nationale Italiaanse regeling van artikel 62 sexies, lid 3, en artikel 62 bis van decreto legge nr. 331/1993, [omgezet in wet] nr. 427 van 29 oktober 1993, in het licht van de inachtneming van de aftrekregels en de verplichting de btw bij afnemers in rekening te brengen en meer in het algemeen in verband met het beginsel van neutraliteit en doorberekening van de btw, verenigbaar met de artikelen 113 en 114 VWEU en met richtlijn 112/2006/EG, voor zover op grond van die nationale regeling de btw kan worden toegepast op een omzet als geheel genomen die inductief is vastgesteld?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN