C-648/17 Balcia Insurance

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    25 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 maart 2018

Trefwoorden: aansprakelijkheid; verzekeringen

Onderwerp:
-           Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid;
-           Richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven

Feiten:

Op 24.10.2008 heeft een passagier in een geparkeerde auto bij het openen van de portier een andere auto die daarnaast was geparkeerd beschadigd. De bestuurders van de auto’s vulden een minnelijke auto-ongevalsaangifte in. Verzoekster (Balcia Insurance) was de verzekeraar van de eigenaar van de beschadigde auto. Verweerster was de verzekeraar van de eerstgenoemde auto. Verzoekster betaalde ten behoeve van de reparatiekosten een bedrag van 47,42 LVL aan de eigenaar van de beschadigde auto. Verzoekster verzocht verweerster de gemaakte kosten te vergoeden (47,42 LVL). Verweerster weigerde en stelde dat een ongeval bij stilstaande voertuigen niet als verzekerde gebeurtenis wordt beschouwd. Verzoekster wendde zich tot de rechter om het bedrag te vorderen. De rechters in eerste aanleg en in hoger beroep verklaarden de vorderingen van verzoekster volledig gegrond. Verweerster stelde beroep in cassatie in bij de verwijzende rechter, welke de uitspraak van de rechter in hoger beroep vernietigde bij arrest van 28.03.2014. De verwijzende rechter benadrukte dat op het moment van het ongeval geen van de voertuigen zich verplaatste op de parkeerplaats, noch deelnam aan het verkeer, aangezien beide voertuigen waren geparkeerd. Bovendien was het niet de bestuurder van de auto die de schade veroorzaakte, maar de passagier. Tevens dient de minnelijke aangifte niet als onweerlegbaar bewijs dat het ongeval een verkeersongeval is. Hierna wees de regionale rechter de oorspronkelijke vorderingen bij uitspraak van 20.05.2014 af. Verzoekster stelde hier cassatieberoep tegen in en voerde aan dat deze enge uitlegging van het begrip ‘verzekerde gebeurtenis’ indruist tegen de doelstelling van de richtlijnen van de EU. Verzoekster stelt dat een voertuig deelneemt aan het verkeer, zelfs als het geparkeerd is.

Overweging:

Voor een correcte uitlegging van het begrip ‘verzekerde gebeurtenis’ dient te worden bepaald of het openen van een portier van een geparkeerd voertuig door een passagier onder ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van richtlijn 72/166 valt. Het Hof heeft er in de zaak C-162/13 op gewezen dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ niet aan de beoordeling van elke lidstaat kan worden overgelaten. Wanneer de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, moet worden verduidelijkt of de verplichte verzekering wettelijke aansprakelijkheid van voertuigeigenaars ook de  schade aan goederen van derden dekt die veroorzaakt is door het gedrag van een passagier. Met andere woorden of artikel 3(1) van richtlijn 72/166 aldus moet worden uitgelegd dat het in die bepaling vermelde begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ook de gevallen omvat waarin het voertuig door een passagier wordt gebruikt.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de
controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (Eerste richtlijn) aldus worden uitgelegd dat het begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” een situatie omvat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk het openen van de portieren van een geparkeerd voertuig?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 dan aldus worden uitgelegd dat het begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” een situatie omvat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk een situatie waarin schade aan de eigendom van een derde wordt veroorzaakt door het gebruik van een voertuig door een passagier?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Asociaţia Accept C-81/12; Marques Almeida C-300/10; Delgado Mendes C-503/16; Vnuk C-162/13; Pinheiro Vieira Rodrigues de Andrade en da Silva Rodrigues de Andrade C-514/16; Ambrosio Lavrador en Olival Ferreira Bonifácio C-409/09; Marques Almeida C-300/10; Drozdovs C-277/12; Petillo C-371/12.

Specifiek beleidsterrein: JenV
 

Gerelateerde documenten