C-65/17 Oftalma Hospital

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   28 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       14 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   14 mei 2017

Trefwoorden: overheidsopdrachten; rechtsbeginselen (transparantie, gelijke behandeling)

Onderwerp: - richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening;
- richtlijn 2004/18/EG van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten.

Verzoekster maakt deel uit van een groep ziekenhuizen die vallen onder verweerster CIOV (Commissione Istituti Ospitalieri Valdesi). De zaak voor de Rb Turijn gaat over betalingen uit de jaren 2002 – 2004 voor de verstrekking van gezondheidsdiensten. Verzoekster zou nog een bedrag tegoed hebben van de CIOV en medeverweerder de Regio Piemonte omdat de tarieven, vastgesteld op grond van een overeenkomst uit 1999 niet meer in passende vergoedingen voorzagen en de desbetreffende bijbetalingen niet waren verricht. Volgens de CIOV en de Regio was er geen reden voor aanpassing van de betrokken vergoedingen. De Rb verwerpt op 09-10-2007 het beroep.
Eerder, in april 2005 heeft verzoekster geprobeerd de CIOV en de Regio via een dwangbevel tot betaling te dwingen voor de verstrekte gezondheidsdiensten. Volgens verweerders heeft verzoekster echter in de in 2004 gewijzigde overeenkomst afstand gedaan van haar recht op een voorlopige voorziening. De Regio stelt tevens dat de overeenkomst nietig is aangezien er geen aanbestedingsprocedure heeft plaatsgehad. De Rb Turijn verwerpt het beroep van CIOV op 05-12-2007. De Regio gaat tegen beide beslissingen in beroep bij het Hof te Turijn die 07-06-2010 de overeenkomst nietig verklaart wegens schending van RL 92/50. Een aanbesteding was noodzakelijk aangezien CIOV een publiekrechtelijk orgaan is en dus als ‘aanbestedende dienst’ moet worden aangemerkt. Onderhandse plaatsing zonder aankondiging was uitgesloten. Verzoekster heeft daarop beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter.

De verwijzende ITA rechter (Hof van Cassatie) stelt vast dat in de ITA regeling (omzetting RL 92/50) medische en sociale diensten niet onder het artikel vallen waarin de gunningsprocedures worden opgesomd, zodat voor het sluiten van een overeenkomst op dat gebied niet noodzakelijkerwijze een openbare aanbestedingsprocedure dient te worden gehanteerd. Ook in RL 92/50 wordt een onderscheid gemaakt tussen opdrachten voor diensten in bijlage IA en bijlage IB. Onder IB vallen de overeenkomsten betreffende medische en sociale diensten. Gezien de datum van vaststelling van onderhavige overeenkomst is de ITA regeling van 1995 van toepassing. Hierin is opgenomen dat ook bij onderhandse aanbesteding er minstens drie kandidaten moeten zijn. Hij wijst op diverse arresten van het HvJEU waarin tot uitdrukking komt dat artikel 27.3 van RL 92/50 kan worden beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel dat ook op de in de bijlage 2 bij de ITA regeling genoemde medische diensten van toepassing is. Hij stelt het HvJEU de volgende vragen:

1) Moet artikel 9 van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 [betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening], dat bepaalt dat de opdrachten voor het verlenen van in bijlage IB vermelde diensten overeenkomstig de artikelen 14 en 16 worden geplaatst, aldus worden uitgelegd dat die overeenkomsten niettemin onderworpen blijven aan de beginselen van vrijheid van vestiging en vrije dienstverrichting, het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, het transparantiebeginsel en het non-discriminatiebeginsel, zoals deze beginselen zijn neergelegd in de artikelen 43, 49 en 86 [EG]?
2) Ingeval de eerste vraag bevestigend dient te worden beantwoord, moet artikel 27 van richtlijn 92/50/EEG, dat bepaalt dat wanneer de opdracht wordt geplaatst volgens de procedure van gunning via onderhandelingen, het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten, niet kleiner mag zijn dan drie, voor zover er voldoende geschikte gegadigden zijn, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op opdrachten voor het verlenen van de diensten die zijn vermeld in bijlage IB bij die richtlijn?
3) Staat artikel 27 van richtlijn 92/50/EEG, dat bepaalt dat wanneer de opdracht wordt geplaatst volgens de procedure van gunning via onderhandelingen, het aantal gegadigden dat tot de onderhandelingen wordt toegelaten, niet kleiner mag zijn dan drie, voor zover er voldoende geschikte gegadigden zijn, in de weg aan een nationale wettelijke regeling die met betrekking tot overheidsopdrachten die zijn geplaatst vóórdat richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 is vastgesteld, wat de diensten betreft die in bijlage IB bij richtlijn 92/50/EEG zijn vermeld, geen openstelling voor de mededinging waarborgt wanneer de procedure van toewijzing van de opdracht via onderhandelingen wordt toegepast?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-507/03 CIE/IER; C-412/04 CIE/ITA; C-119/06 CIE/ITA; C-271/08 CIE/DUI;

Specifiek beleidsterrein: EZ, BZK

 

Gerelateerde documenten