C-650/16 Bevola

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   16 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       3 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   3 april 2017

Trefwoorden: vennootschapsbelasting; recht vrije vestiging

Onderwerp: - VWEU artikel 49 (vrije vestiging)

Verzoekster Bevola is een in DEN geregistreerde vennootschap. Zij had tot 2009 een filiaal in FIN, tot 2014 een dochter in DUI, heeft een dochter in NOO en een filiaal in ZWE. Zij is zelf een dochter van Grønbech & Sønner A/S. Deze laatste onderneming is voor 77,5 % in handen van M.J. Grønbech & Sønner Holding A/S, die op haart beurt voor 62,6 % in handen is van medeverzoekster Jens W. Trock ApS. Al deze ondernemingen zijn gevestigd in DEN. Vanaf 2005 wordt verzoekster conform de DEN wet op de vennootschapsbelasting tezamen met Trock belast (‘nationale gezamenlijke aanslag’). Zij heeft niet geopteerd voor de ‘internationale gezamenlijke aanslag’. Op 20-01-2014 volgt uitspraak van de hoogste administratieve beroepsinstantie in belastingzaken waarbij werd vastgesteld dat Bevola niet gerechtigd was om in belastingjaar 2009 de verliezen van haar FIN vestiging (na de sluiting) in mindering te brengen. Verrekening in FIN was en is volgens verzoekster niet mogelijk. Verzoeksters komen op tegen dat besluit. Zij stellen een (niet gerechtvaardigde) beperking in de zin van VWEU artikel 49: zij had de verliezen wel kunnen verrekenen als het een DEN filiaal was geweest. De mogelijke keuze voor een ‘internationale gezamenlijke aanslag’ biedt weliswaar een mogelijkheid tot verliesverrekening maar onder zeer strikte voorwaarden en doet niet af aan de strijdige regeling van de nationale gezamenlijke aanslag. Verweerster (belastingdienst) ziet geen beperkingen die verder gaan dan

De verwijzende DEN rechter (Regionale rechter Oost-Denemarken) gaat uitgebreid in op de toelichting bij de betreffende belastingwetgeving. Hij wijst op de doelstelling (‘…een einde te maken met de mogelijkheid voor Deense en buitenlandse concerns om hun verlieslatende activiteiten naar believen onder te brengen in dochterondernemingen (…)’, het beginsel van het wereldwijde inkomen, en de gelijke behandeling van buitenlandse en DEN concerns. Maar ook dat invoering van het fiscale territorialiteitsbeginsel impliceert dat een bepaalde activiteit verschillend kan worden belast naar gelang zij binnen of buiten DEN wordt verricht. De in de toelichting opgeworpen vraag of de DEN wet verenigbaar is met EUrecht (vrije vestiging) wordt onbeantwoord gelaten omdat het HvJEU zich nog niet heeft uitgesproken over een dergelijke opzet. De DEN wetgever was echter van mening dat in het voorgestelde belastingstelsel evenwel een zodanig direct verband wordt gelegd tussen het niet opnemen van eventuele buitenlandse verliezen en het niet belasten van de overeenkomstige inkomsten, dat de verschillende fiscale behandeling – waarvan in beginsel ook kan worden ‘afgezien’ – redelijk moet worden geacht.
Voor zover de verwijzende rechter kan nagaan heeft het HvJEU zich in zijn rechtspraak vooralsnog enkel uitgesproken over situaties waarin nationale wetgeving die een systeem met één niveau kent, een in een LS ingezeten moedermaatschappij niet toestaat om verliezen in mindering te brengen die in een andere LS zijn geleden door een aldaar gevestigde dochteronderneming, terwijl het een dergelijke aftrek wel toestaat voor verliezen die door een ingezeten dochteronderneming zijn geleden. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Staat artikel 49 VWEU in de weg aan een nationale fiscale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan verliezen van nationale filialen in mindering kunnen worden gebracht, terwijl dit niet mogelijk is voor verliezen van filialen in andere lidstaten, ook niet in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Marks & Spencer (C-446/03, [EU:C:2005:763,] punten 55 en 56), tenzij het concern heeft geopteerd voor een internationale gezamenlijke aanslag onder de in het hoofdgeding beschreven voorwaarden?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-446/03 Marks & Spencer; C-440/08 Gielen; C-172/13 CIE/VK; C-388/14 Timac Agro

Specifiek beleidsterrein: FIN