C-66/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   3 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       20 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   20 mei 2017

Trefwoorden: EEX; executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen

Onderwerp: - verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (Pb 2004, L 143, blz. 15, zoals gewijzigd)

Verzoekers hebben 03-03-2014 een verklaring voor recht gevorderd dat zij het eigendomsrecht op een auto hebben. De Rb heeft 15-03-2016 verweerster (DA, de DUI verzekeraar) opgeroepen als verwerende partij. DA krijgt 30-03-2016 de in DUI vertaalde dagvaarding toegezonden met kennisgeving van de zitting en de verplichting binnen 30 dagen een verweerschrift in te dienen. DA dient geen verweerschrift in en verschijnt niet ter zitting. De Rb wijst 18-05-2016 een verstekvonnis waarin is verklaard dat de auto onderdeel van de huwelijksgemeenschap van verzoekers is geworden en verweerster in de proceskosten wordt veroordeeld. Dit verstekvonnis wordt vertaald en op 04-07-2016 aan DA betekend, samen met de mogelijkheid tot verzet. DA reageert niet waarop het vonnis 19-06-2016 in kracht van gewijsde gaat. Vervolgens vragen verzoekers de beslissing ten aanzien van de proceskosten te waarmerken als Europese executoriale titel.

De verwijzende POL rechter (Rb Poznan) twijfelt of dat in casu mogelijk is. Artikel 3.1 van Vo. 805/2004 is immers enkel van toepassing op beslissingen inzake niet-betwiste schuldvorderingen (een schuldvordering in de zin van artikel 4.2 van de Vo.). Dat verzoek kan hij niet toewijzen. Hij vraagt zich echter af of ook een andere uitleg mogelijk is. Het gaat om een civiele zaak (vaststelling recht op eigendom roerende zaak) waarop de bevoegdheidsbepalingen van de Vo. niet van toepassing zijn – artikel 6.1 b sluit verzekeringszaken uit. Tussen partijen bestond echter geen verzekeringsovereenkomst. DA heeft geen enkel verweer gevoerd dus zou de vordering als ‘niet-betwiste vordering’ kunnen worden beschouwd. De rechter oordeelt uiteindelijk dat inachtneming van de bewoordingen van de bepalingen van Vo.805/2004 tot de slotsom leidt dat het standpunt dat een beslissing ten aanzien van de proceskosten in een declaratoir vonnis omtrent het bestaan van een recht niet kan worden gewaarmerkt als Europese executoriale titel, beter onderbouwd is. Ook uit andere artikelen van de Vo. volgt eenduidig dat de proceskosten enkel bij wijze van uitzondering kunnen worden meegenomen bij de waarmerking van een beslissing als Europese executoriale titel, en wel uitsluitend indien in de hoofdzaak is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag en beide vorderingen als niet-betwist kunnen worden beschouwd. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij het HvJEU de volgende vraag voor:
“Moet artikel 4, punt 1, in samenhang met artikel 7 van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15, zoals gewijzigd) aldus worden uitgelegd dat een beslissing over de vergoeding van de proceskosten in een declaratoir vonnis omtrent het bestaan van een recht kan worden gewaarmerkt als Europese executoriale titel?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ