C-665/16 Gmina Wrocław

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   23 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       9 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   9 april 2017

Trefwoorden: btw; eigendomsoverdracht (onroerende zaak)

Onderwerp: - richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

Verzoekster (gemeente) heeft de belastingdienst (verweerster) om een individuele interpretatie gevraagd. Het gaat om de kwalificatie van een vergoeding die de president van Wroclaw (gemeenteorgaan) heeft betaald voor overname van de eigendom van onroerende zaken van verzoekster die nodig waren voor de aanleg van een weg. Volgens de POL wettelijke regeling gaat zodra het wegaanlegbesluit definitief is de eigendom van de betreffende onroerende zaken van de gemeente over op de fiscus. De waarde van de ‘ruilgoederen’ wordt bij besluit vastgesteld en vervolgens aan de gemeente uitbetaald. De vraag aan verweerster was of dit een belastbare levering van goederen onder bezwarende titel voor de btw vormt en zo ja wie is dan de verkrijger van het goed? Verweerster heeft aangegeven dat het beschreven feit aan btw onderworpen is maar dat de belastingplichtige niet de president kan zijn omdat die geen zelfstandige economische activiteit verricht noch voor eigen rekening handelt. De gemeente is verantwoordelijk; op haar rust de verplichting om de eigendomsovergang (onder bezwarende titel) van de onroerende zaken van rechtswege aan de fiscus te verantwoorden met een btw-factuur. Verzoekster wendt zich tot de bestuursrechter die oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van een levering krachtens belastingrecht: er heeft geen overdracht van economische macht over de zaak plaatsgevonden omdat leverancier en afnemer hetzelfde rechtssubject zijn (i.c. de gemeente). Verweerster stelt beroep in cassatie in.

De verwijzende POL rechter (hoogste bestuursrechter) heeft bij beschikking van 12-02-2015 een vraag voorgelegd aan een kamer van zeven rechters: “Kan de overdracht of overgang van het recht van eigendom op onroerende goederen op vordering van de overheid tegen betaling van een vergoeding, waarvan de onteigende persoon de economische lasten (waaronder de belastingdruk) heeft te dragen, worden beschouwd als een belastbare handeling in de zin van artikel 7, lid 1, punt 1 [van de btw-wet]?” waarop die kamer 12-10-2015 oordeelt dat het inderdaad om een levering van goederen in de zin van de POL btw-wet gaat. Geen van de partijen is het met dit standpunt eens. Er rijzen dan toch twijfels bij de verwijzende rechter over de juiste uitleg van de bepalingen van RL 2006/112 en hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:

“- Is de overgang van rechtswege van het recht van eigendom op onroerende goederen van een gemeente op de fiscus tegen betaling van een vergoeding in een situatie waarin uit een nationale regeling voortvloeit dat de president van de gemeente, als vertegenwoordiger van de fiscus en tegelijkertijd uitvoerend orgaan van de gemeente, deze onroerende goederen blijft beheren, een belastbare handeling in de zin van artikel 14, lid 2, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd)?

- Is het voor het antwoord op bovenstaande vraag van belang of de vergoeding voor de gemeente daadwerkelijk wordt uitbetaald of louter een interne omboeking binnen de begroting van de gemeente is?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten