C-670/16

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   8 februari 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   24 februari 2017 (fatale termijn)
Datum mondelinge behandeling: …………25 april 2017

Trefwoorden: asiel (Dublin III); overnameverzoek; verantwoordelijke LS; gevolgen vertraging behandeling asielaanvragen

Onderwerp: verordening (EU) nr. 604/2013] [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

Verzoeker, Eritrees staatsburger, heeft op 14-09-2015 in München/DUI asiel aangevraagd, onder overlegging van een Eritrees militair paspoort. Een formeel verzoek volgt op 22-07-2016 bij het competente Bundesamt. In een persoonlijk onderhoud geeft hij aan op 04-09-2015 vanuit Libië in ITA te zijn aangekomen. Uit de op 19-08-2016 opgevraagde Eurodacgegevens blijkt dat in ITA vingerafdrukken van verzoeker zijn afgenomen maar dat geen formeel asielverzoek in ITA is ingediend. Het op dezelfde datum gedane overnameverzoek van DUI aan ITA blijft onbeantwoord. Vezoekers asielaanvraag wordt bij besluit van 10-11-2016 niet-ontvankelijk verklaard, zijn uitzetting naar ITA gelast en verzoeker krijgt een wettelijk verbod van binnenkomst en verblijf voor zes maanden vanaf uitzetting: ITA is op grond van de Dublin III-Vo. verantwoordelijk voor zijn asielverzoek. Verzoeker gaat 17-11-2016 in beroep. Hij stelt dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van zijn asielaanvraag volgens artikel 21.1, derde alinea, van Vo. 604/2013 is overgegaan op DUI, aangezien het overnameverzoek van 19-08-2016 pas na het verstrijken van de termijn van artikel 21.1 van de Vo. is ingediend. De termijn voor indiening overnameverzoek zou niet zijn ingegaan op de datum van zijn formele aanvraag maar al op tijdstip van zijn informele verzoek (dus 14-09-2015). Verweerder stelt (onder verwijzing naar arrest Abdullahi) dat aan de termijnbepalingen van Vo. 604/2013 geen subjectieve rechten kunnen worden ontleend en hij gaat ervan uit dat de termijnen pas bij indiening officieel asielverzoek een aanvang nemen.

De verwijzende rechter (Verwaltungsgericht Minden) stelt vast dat volgens de bevoegdheidscriteria van artikel 8 en volgende van Vo. 604/2013 ITA verantwoordelijk is voor de asielprocedure van verzoeker. Conform de in artikel 13.1 van Vo. 604/2013 gestelde voorwaarden heeft verzoeker binnen een termijn van 12 maanden na de datum van zijn illegale grensoverschrijding (= uiterlijk op 22 juli 2016), een asielverzoek ingediend bij een EULS, i.c. DUI. Artikel 3.2 van de Vo. staat een overdracht aan ITA niet in de weg. De verwijzende rechter wijst op de door de grote instroom van asielzoekers ontstane vertraging in de behandeling van aanvragen. Hij verwijst in zijn overwegingen naar de arresten Ghezelbash en Karim, waarin het HvJEU het gevaar voor ‘forumshopping’ relativeert. Of ITA inderdaad in verzoekers geval verantwoordelijk is hangt af van het door verzoeker opgebrachte verstrijken van de termijn van artikel 22.1. Hij legt de volgende prejudiciële vragen voor aan het HvJEU:

1. Kan een asielzoeker zich erop beroepen dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van zijn verzoek is overgegaan op de verzoekende lidstaat wegens het verstrijken van de termijn die geldt voor de indiening van het overnameverzoek [artikel 21, lid 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 604/2013] [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend]?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan een asielzoeker zich ook dan erop beroepen dat sprake is van die overgang van de verantwoordelijkheid wanneer de aangezochte lidstaat nog steeds bereid is de asielzoeker op te nemen?
3. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: kan uit de uitdrukkelijke dan wel de stilzwijgende instemming (artikel 22, lid 7, van verordening nr. 604/2013) van de aangezochte lidstaat worden afgeleid dat deze aangezochte lidstaat nog steeds bereid is de asielzoeker op te nemen?
4. Kan de termijn van twee maanden van artikel 21, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 604/2013 verstrijken nadat de termijn van drie maanden van artikel 21, lid 1, eerste alinea, van deze verordening reeds is verstreken, wanneer de verzoekende lidstaat pas meer dan een maand na het begin van de termijn van drie maanden een verzoek aan de Eurodac-databank richt?
5. Geldt als een verzoek om internationale bescherming volgens artikel 20, lid 2, van verordening nr. 604/2013 reeds de eerste afgifte van een document dat geldt als bewijs van de aanmelding als asielzoeker of geldt daartoe pas de opstelling van het proces-verbaal van een formeel asielverzoek? Inzonderheid:
a) Betreft het document dat geldt als bewijs van de aanmelding als asielzoeker een formulier dan wel een proces-verbaal in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 604/2013?
b) Zijn de “bevoegde autoriteiten” in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 604/2013 de autoriteiten die bevoegd zijn om het formulier te ontvangen of het proces-verbaal op te stellen dan wel de autoriteiten die bevoegd zijn om te beslissen over het asielverzoek?
c) Kunnen de bevoegde autoriteiten ook dan worden geacht een proces-verbaal te hebben ontvangen wanneer hun de wezenlijke inhoud van het formulier of van het proces-verbaal is meegedeeld, of dient daarvoor het origineel of een kopie van het proces-verbaal aan hen te worden overgelegd?
6. Kan de vertraging tussen de eerste asielaanvraag of de eerste afgifte van een document dat geldt als bewijs van de aanmelding als asielzoeker en de indiening van een overnameverzoek ertoe leiden dat de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat volgens artikel 21, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 604/2013, of kan daardoor voor de verzoekende lidstaat de verplichting ontstaan om gebruik te maken van zijn evocatierecht volgens artikel 17, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 604/2013?
7. Indien de zesde vraag met betrekking tot een van beide mogelijkheden bevestigend moet worden beantwoord: vanaf welk tijdstip dient te worden aangenomen dat de bij de indiening van een overnameverzoek opgelopen vertraging onredelijk is?
8. Kan een overnameverzoek, waarin de verzoekende lidstaat enkel de datum van de aankomst op zijn grondgebied en de datum van de indiening van de formele asielaanvraag maar niet tevens de datum van het eerste verzoek om asiel of de datum van de eerste afgifte van een document dat geldt als bewijs van de aanmelding als asielzoeker heeft vermeld, worden beschouwd als te zijn ingediend met inachtneming van de termijn van artikel 21, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 604/2013, of is een dergelijk verzoek “ongeldig”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-394/12 Abdullahi; C-63/15 Ghezelbash; C-155/15 Karim

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB