C-671/16 Inter-Environnement Bruxelles e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   19 juni 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   05 augustus 2017

Trefwoorden: milieu; milieueffectrapportage (MER); Verdrag van Aarhus; ruimtelijke ordening

Onderwerp: richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s

Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster (Brusselse Hoofdstedelijke Regering) van 12-12-2013 tot goedkeuring van de gezoneerde gewestelijke stedenbouwkundige verordening. Een dergelijke verordening definieert voor een bepaalde wijk normen die van toepassing zijn op gebouwen (bouwwijze), op bebouwingsvrije en op openbare ruimtes. Deze normen komen in de plaats van de algemene normen die in de gewestelijke stedenbouwkundige basisVo zijn opgenomen. Het gaat om de omgeving van de Wetstraat en haar omgeving (herontwikkeling van de Europese wijk) waarvoor op 15-12-2011 een eerste ontwerp is vastgesteld. Het daaropvolgende openbaar onderzoek levert 69 bezwaren/opmerkingen op. Daarbij komt ook aan het licht dat geen MER is uitgevoerd. De overlegcommissie adviseert 28-06-2012 dat het geen plan of programma in de zin van RL 2001/42 betreft, maar dat het passend zou zijn na te gaan welke gevolgen de geplande gebouwen voor de wijk kunnen hebben. Verweerster besluit op 19-07-2012 tot een impactstudie en op 28-02-2013 is een tweede ontwerp vastgesteld. Daarop komen 12 bezwaren/opmerkingen binnen. Na adviezen van diverse adviesorganen te hebben ingewonnen wordt op 12-12-2013 het besluit en tevens een uitvoeringsbesluit (bestemmingsplan) vastgesteld. (Het beroep tot nietigverklaring van het bestemmingsplan is door de RvS op 14-12-2016 verworpen.)

De verwijzende BEL RvS leest in het aangevochten besluit verweersters motivering waarom het geen plan of programma in de zin van RL 2001/42 betreft, net zo min als de verordening waarop het besluit gebaseerd is. Verweerster wijst daarbij naar arrest C-567/10. Uit de motivering blijkt dat de bezwaren voornamelijk gericht zijn op het ontbreken van een analyse van de verkeerssituatie rond de Wetstraat. Verweerster voert aan dat het hier enkel gaat om bouwregels en niet over mobiliteit in het gebied, waarvoor andere instrumenten voorzien zijn die van politieke beslissingen afhankelijk zijn. Voor wat betreft de milieueisen geeft zij aan dat bij de aanvragen tot een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning in verband met de projecten aan de fijnstofproblematiek bijzondere aandacht zal worden besteed. Verzoeksters wijzen op het ruime begrip plan of programma in het Verdrag van Aarhus. Zij stelt dat bestemmingsplannen ten onrechte van de categorie plannen en programma’s wordt uitgesloten en wijst daarbij met name ook op arrest C-567/10 waarin het HvJEU oordeelde dat de bijzondere bestemmingsplannen binnen de werkingssfeer van de RL vallen. De gewraakte verordening omvat volgens verzoeksters alle aspecten van een programmatische handeling. Gelet op het doel van de RL (hoog niveau van milieubescherming) en hun stelling dat aan de vijf toepassingsvoorwaarden van de RL is voldaan handhaven verzoeksters hun betoog dat een MER noodzakelijk is. Voor de verwijzende RvS hangt gegrondheid van het beroep af van de vraag of de aangevochten verordening valt binnen de categorie ‘plannen en programma’s’ in de zin van RL 2001/42. Hij legt het HvJEU de volgende vraag voor:
“Dient artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s aldus te worden uitgelegd dat het begrip ‚plannen en programma’s’ mede ziet op een door een gewestelijke overheid vastgestelde stedenbouwkundige verordening,
– die een kaart bevat die de perimeter vaststelt waarbinnen deze verordening wordt toegepast, welke perimeter is beperkt tot één enkele wijk, en die binnen deze perimeter verschillende huizenblokken afbakent waarop verschillende regels van toepassing zijn inzake de inplanting en de hoogte van de bouwwerken; en
– die tevens voorziet in bijzondere aanlegvoorschriften voor zones aan de rand van bebouwing en nauwkeurige aanwijzingen bevat inzake de ruimtelijke toepassing van bepaalde regels die de verordening vaststelt rekening houdend met de straten, loodrechte lijnen op deze straten en afstanden ten opzichte van de rooilijn van deze straten, en
– die de transformatie van de betrokken wijk nastreeft; en
– die voorschrijft hoe de dossiers met een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning welke is onderworpen aan een beoordeling van de gevolgen voor het milieu in deze wijk, moeten zijn samengesteld?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-567/10 Inter-Environnement Bruxelles e.a.;

Specifiek beleidsterrein: IenM, BZK

Gerelateerde documenten