C-672/17 Tratave

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    22 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    08 maart 2018

Trefwoorden: btw-richtlijn; neutraliteit

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

Verzoekster is een bedrijf dat actief is in de ontwikkeling en het beheer van openbare gemeentelijke diensten voor afwatering, zuivering en verwijdering van afvalwater in het kader van het geïntegreerd afvalwerkingssysteem. In 2010 heeft verzoekster, na een onderzoek van haar uitstaande schuldvorderingen, vastgesteld dat haar nog een bedrag van €1.192.902,69 – inclusief btw – verschuldigd was door insolvente particuliere instanties. De facturen waren onbetaald gebleven en verzoekster heeft de door haar voldane btw moeten dragen. In augustus 2010 heeft verzoekster de periodieke btw-aangifte voor juli 2010 ingediend en daarbij de btw waarvan sprake hierboven, geregulariseerd voor een bedrag van €59.017,35 in haar voordeel. Naar aanleiding van de belastingcontrole bij verzoekster heeft de belasting- en douanedienst op 02.09.2014 een naheffingsaanslag in de btw voor het tijdvak juli 2010 vastgesteld voor een bedrag van €59.017,35. Verzoekster heeft op 28.10.2014 het bedrag van de btw-aanslag betaald. Op 27.02.2015 heeft verzoekster bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar is bij beschikking afgewezen. Op 25.06.2015 heeft verzoekster administratief beroep ingesteld tegen de beschikking waarbij haar bezwaar was afgewezen, maar dit administratief beroep is bij beschikking van 05.08.2016 verworpen. In de insolventieprocedures betreffende verzoeksters schuldenaars zijn de uitspraken tot vaststelling van insolventie tussen 2006 en 2009 definitief geworden, ook al waren enkele procedures in 2015 nog aanhangig en werden andere procedures tussen 2007 en 2015 afgesloten. In 2015 heeft verzoekster mededelingen over de regularisatie van de btw verstuurd aan de schuldenaars en hun respectieve curatoren. Op 06.01.2017 heeft verzoekster bij het scheidsgerecht een verzoek om arbitrage ingediend, hetgeen tot de onderhavige procedure heeft geleid. Verzoekster stelt o.a. dat het aan de btw-richtlijn ten grondslag liggende beginsel van neutraliteit vereist dat ondernemingen via de aftrek van de voorbelasting van de belastingdruk worden bevrijd, zonder dat de kosten in hun activiteit worden doorberekend.

Overweging:

Voor de verwijzende rechter is het antwoord op de in casu gerezen vragen niet duidelijk, aangezien artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG bepaalt dat „[i]n geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, [...] de maatstaf van heffing dienovereenkomstig [wordt] verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld”.

Prejudiciële vragen:
1) Verzetten het neutraliteitsbeginsel en artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 [betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde] zich tegen een nationale wettelijke regeling als die vervat in artikel 78, lid 11, van de Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado, wanneer deze regeling aldus wordt uitgelegd dat regularisatie van de belasting in geval van niet-betaling niet mogelijk is voordat de annulering van de belasting aan de btw-plichtige afnemer van het goed of de btw-plichtige dienstontvanger is meegedeeld met het oog op herziening van de oorspronkelijk toegepaste aftrek?

2) Indien op deze vraag bevestigend wordt geantwoord, verzetten het neutraliteitsbeginsel en artikel 90 van richtlijn 2006/112 zich dan tegen een nationale wettelijke regeling als die vervat in artikel 78, lid 11, van de Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado, wanneer deze regeling aldus wordt uitgelegd dat regularisatie van de belasting in geval van nietbetaling niet mogelijk is wanneer annulering van de belasting niet binnen de in artikel 98, lid 2, van de Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado gestelde termijn voor de btw-aftrek is meegedeeld aan de btw-plichtige afnemer van het goed of de btw-plichtige dienstontvanger?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
 

Gerelateerde documenten