C-677/16

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   24 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       10 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   10 april 2017

Trefwoorden: sociale zekerheid; tijdelijke arbeidsovereenkomst; ontslagvergoeding

Onderwerp: - Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Verzoekster heeft op 13-03-2007 met verweerder (Bureau voor sociale dienstverlening van het ministerie voor Sociaal Beleid en Gezinsbeleid van de autonome regio Madrid, een zelfstandig publiekrechtelijk lichaam) een ad-interimovereenkomst gesloten voor vervanging van een werknemer in vaste dienst, welke op 01-02-2008 is omgezet in een ad-interimovereenkomst ter tijdelijke invulling van een vacature (horecahulp in een bejaardentehuis van verweerder). De vacature wordt vervolgens na een formele selectieprocedure (de enige methode om in SPA in overheidsdienst te komen) ingevuld, maar niet door verzoekster. Haar wordt 30-09-2016 de wacht aangezegd. Verzoekster start 14-10-2016 een procedure waarmee zij de beëindiging aanvecht. (Uit de overwegingen van de verwijzende rechter blijkt dat het gaat om een ontslagvergoeding).

De verwijzende SPA rechter (Rb Madrid) stelt vast dat op grond van rechtspraak van het HvJEU (C-444/09) RL 1999/70 rechtstreeks op onderhavige arbeidsverhouding van toepassing is en verzoekster er rechtstreeks een beroep op kan doen (C-361/12). Verzoekster vervulde dezelfde functie als nu door de geselecteerde kandidaat wordt ingenomen. Het geschil heeft dan ook betrekking op werknemers die voor de toepassing van clausula 4 van RL 1999/70 zijn aan te merken als vergelijkbaar, namelijk interim-medewerkers die tijdelijk een vacature invullen en medewerkers in vaste dienst die die functie krijgen toegewezen na afloop van een vergelijkend onderzoek. In arrest van de SPA zaak C-596/14 heeft het HvJEU geoordeeld dat het enkele feit dat het gaat om een ad-interimovereenkomst geen objectieve reden kan opleveren die rechtvaardigt dat een werknemer geen ontslagvergoeding krijgt. De nationale rechterlijke instanties hebben sindsdien dat arrest van het HvJ EU aldus geïnterpreteerd dat de betrokken werknemers bij de beëindiging van hun tijdelijke overeenkomst de vergoeding toegewezen moeten krijgen waarop vergelijkbare werknemers in vaste dienst volgens het nationale recht recht hebben indien hun overeenkomst op objectieve gronden wordt beëindigd, dus 20 dagen salaris per dienstjaar. De rechter wijst op de gevolgen van het arrest voor de SPA arbeidsmarkt (hoge werkloosheid en een groot aantal tijdelijke overeenkomsten). Het arrest C-596/14 biedt in onderhavig geval echter niet de oplossing aangezien het voor de rechter onduidelijk blijft of de omstandigheid dat een tijdelijke overeenkomst door partijen wordt aangegaan in de wetenschap dat het een overeenkomst betreft die slechts voor bepaalde tijd is, kan rechtvaardigen dat een andere vergoedingsregeling geldt dan voor vaste werknemers wier overeenkomst op objectieve gronden wordt beëindigd. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Moet clausule 4, lid 1, van de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die in het gemeenschapsrecht is opgenomen middels richtlijn 1999/70 van de Raad, aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een ter tijdelijke invulling van een vacature aangegane ad-interimovereenkomst eindigt na afloop van de periode waarvoor de overeenkomst door de werkgever en de werkneemster is aangegaan, een objectieve reden oplevert die rechtvaardigt dat de nationale wetgever in dat geval geen vergoeding bij het einde van de overeenkomst toekent, terwijl een vergelijkbare werknemer in vaste dienst die op objectieve gronden is ontslagen, een vergoeding van twintig dagen salaris per jaar krijgt?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-444/09 Gavieiro; C-361/12 Carratù; C-596/14 De Diego Porras;

Specifiek beleidsterrein: BZK en SZW