C-677/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    26 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 maart 2018

Trefwoorden: associatieakkoord; uitkeringen

Onderwerp:
-           Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden;

Feiten:

Verzoeker bezit uitsluitend de Turkse nationaliteit. Verzoeker heeft tot de legale arbeidsmarkt van Nederland behoord en werkte als internationaal chauffeur. Op 11.09.2006 heeft hij zijn werk gestaakt wegens ziekte. Sinds 18.12.2006 is verzoeker in het bezit van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Per 08.09.2008 heeft het UWV verzoeker een uitkering toegekend (berekend naar mate van 45%-55% arbeidsongeschiktheid). Ook is verzoeker ingevolge de Toeslagenwet (TW) een aanvullende prestatie toegekend. Een persoon komt slechts voor deze toeslag in aanmerking als hij in Nederland woont (artikel 4a TW). Op 10.02.2014 stelde verzoeker het UWV op de hoogte van zijn voornemen om zich per 01.04.2014 in Turkije te vestigen. Bij besluit van 12.02.2014 heeft het UWV de toeslag van verzoeker per 01.04.2014 beëindigd. Hier is geen bezwaar tegen gemaakt. Op 09.07.2014 (binnen een jaar na zijn vertrek) heeft verzoeker vanuit Turkije opnieuw een toeslag ingevolge de TW aangevraagd. Bij besluit van 01.08.2014 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen. Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van 20.10.2014 is onder verwijzing naar artikel 4a TW de weigering gehandhaafd. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Het UWV meent dat verzoeker, gelet op zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, op grond van het associatierecht nog een verblijfsrecht in Nederland heeft en de arbeidsmarkt niet definitief heeft verlaten. Ook is zijn verblijfsvergunning niet ingetrokken. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de Nederlandse arbeidsmarkt voorgoed heeft verlaten door zijn leeftijd en de omstandigheden op de arbeidsmarkt. Door zijn remigratie is hij de band met de Nederlandse arbeidsmarkt volledig kwijtgeraakt. Verzoeker heeft betoogd dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland op grond van het associatierecht, aangezien hij blijvend arbeidsongeschikt is. Gevolg hiervan zou zijn dat hij op de voet van het arrest C-485/07 aanspraak zou kunnen maken op export van de toeslag naar Turkije, aldus verzoeker.

Overweging:

De verwijzende rechter ziet gelijkenis met de positie van betrokkenen in de zaak C-171/13. Op het moment waarop verzoeker vroeg om heropening van zijn recht op toeslag, kon hij zonder enige twijfel naar Nederland terugkeren, waardoor zijn aanspraak op toeslag zou herleven. Verschil is echter dat de verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen na een jaar van verblijf buiten de Unie kan worden ingetrokken. Verzoeker heeft daarmee uiteindelijk niet een zelfde reis- en verblijfsrecht als Turkse onderdanen die de Nederlandse nationaliteit hebben verworven en daarmee burger van de Unie zijn geworden. De vraag blijft daarom bestaan, of de positie van verzoeker nuttig kan worden vergeleken met de positie van burgers van de Unie. Is dit het geval, dan staat artikel 59 van het Aanvullend Protocol in zijn geval in de weg aan de export van de toeslag.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten?

2. Is daarbij van belang dat de betrokkene op het moment van vertrek niet langer een verblijfsrecht heeft op grond van het associatierecht, maar wel beschikt over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen?

3. Is daarbij van belang dat de betrokkene op grond van nationale regelgeving binnen één jaar na vertrek de mogelijkheid heeft om terug te keren om zo de toeslag te herkrijgen, en dat die mogelijkheid verder bestaat zo lang als hij beschikt over de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Akdas c.s. C-485/07; Demirci c.s. C-171/13; Bozkurt C-434/93; Nazli C-340/97;

Specifiek beleidsterrein: SZW; JenV