C-679/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    26 januari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 maart 2018

Trefwoorden: successierechten; vrij verkeer van kapitaal

Onderwerp:
-           VWEU artikel 63; vrij verkeer van kapitaal

Feiten:

Verzoeker heeft eigendom van een Nederlands stuk bosgebied geërfd. Verzoeker verzocht verweerder (het Vlaams Gewest) om vrijstelling van successierechten in de zin van artikel 55 quater VI.W.Succ (hierna: artikel 55). Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat het niet mogelijk zou zijn om vrijstelling van successierechten te verlenen voor de bossen gelegen in een andere Europese lidstaat. Verzoeker betaalde het verschuldigde bedrag van €1.187.670,49 (hoofdsom) + €10.301,97 (nalatigheidsinteresten). Vervolgens dagvaardde verzoeker de Belgische Staat en het Vlaams Gewest, vorderde het betaalde bedrag terug, en voerde aan dat de restrictieve interpretatie van artikel 55 strijdig was met het vrij verkeer van kapitaal, artikel 63 VWEU. De rechter in eerste aanleg oordeelde dat de vrijstelling van artikel 55 diende toegepast te worden aan verzoeker. Het verschil in behandeling van een bos in Vlaanderen en van een gelijkwaardig bos in een andere EU-lidstaat zou een belemmering van het vrije kapitaal vormen. De rechter in eerste aanleg verklaarde de vordering van verzoeker toelaatbaar en gegrond. Tegen dit vonnis heeft verweerder hoger beroep ingesteld. Verweerder stelt dat geen schending van het vrij verkeer van kapitaal voorligt, aangezien de verschillende behandeling gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang.

Overweging:

Uit rechtspraak van het Hof (zaken C-256/06 en C-133/13) volgt dat wanneer de toekenning van belastingvoordelen inzake successierechten onderworpen is aan de voorwaarde dat de overgedragen zaak op het nationale grondgebied is gelegen, er sprake is van een verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer. Anderzijds werd het behoud van nationaal natuurschoon en het behoud van cultuurhistorisch erfgoed een dwingende reden van algemeen belang geacht ter rechtvaardiging van de beperking van de vrijstelling tot onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de lidstaat. De verwijzende rechter stelt vast dat België op 27.11.2008 in gebreke werd gesteld door de Europese Commissie (2008/4733) wegens schending van de artikelen 56 EG en 40 EER omdat de vrijstelling van successierechten voor onbebouwde onroerende goederen "van ecologische waarde" in Vlaanderen en bossen in Vlaanderen, zoals verleend door de artikelen 55ter en 55quater niet wordt verleend voor vergelijkbare onbebouwde onroerende goederen "van ecologische waarde" en gelijkwaardige bossen In andere lidstaten of derde landen. Hierop werd geantwoord door het Vlaams Gewest en het dossier zou zijn geklasseerd zonder gevolg. Hieruit kan op zich echter niet worden afgeleid dat de weigering van de vrijstelling voor buitenlandse gelijkwaardige bosgebieden geen beperking van het vrije kapitaalverkeer zou inhouden. De verwijzende rechter acht het dan ook noodzakelijk om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

1. Vormt een situatie waarbij een erfgenaam een in het buitenland gelegen bosgebied erft, dat op duurzame wijze wordt beheerd, en dat niet van successierechten is vrijgesteld op grond van artikel 55quater VI. W.Succ. (nu artikel 2.7.6.0.3 VI.C.Fisc.), en dit terwijl een erfgenaam die een in het binnenland gelegen bosgebied erft, dat op duurzame wijze wordt beheerd en dat wel van successierechten op grond van artikel 55quater VI.W.Succ. (nu artikel 2.7.6.0.3 VI.C.Fisc.) wordt vrijgesteld, een inbreuk op het vrij verkeer van kapitaal zoals bepaald door artikel 63 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie?

2. Vormt het belang van het Vlaamse bosareaal, zoals aan de orde In de zin van art. 55quater VI.W.Succ. (nu artikel 2.7.6.0.3 VI.C.Flsc.), een dwingende reden van algemeen belang, die een regeling rechtvaardigt, waarin de toepassing van vrijstelling van successierechten wordt beperkt tot de in Vlaanderen gelegen bosgebieden die op duurzame wijze worden beheerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Jäger C-256/06; The Bean House C-133/13;

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN-fiscaal