C-683/16 Deutscher Naturschutzring, Dachverband der deutschen Natur- und Umweltschutzverbände e.V.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   21 februari 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       7 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   7 april 2017

Trefwoorden: visserijbeleid; habitatrichtlijn; natura 2000; milieuaansprakelijkheid

Onderwerp: - VWEU artikel 3.1 d (exclusieve bevoegdheid EU)

- verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad;
- richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
- Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade.

Verzoeker is een in DUI erkende milieubeschermingsorganisatie. Op 30-07-2014 vraagt hij het Bundesamt für Naturschutz (BN) om zeevisserijmethoden waarbij de zeebodem wordt geraakt en het gebruik van kieuwnetten in Natura 2000-gebieden die zich in de DUI EEZ bevinden (Noord- en Oostzee) te verbieden. Onbetwist is dat door deze vangtechnieken schade wordt aangebracht aan riffen en zandbanken en dat hierdoor ook onbedoelde bijvangst plaatsvindt. BN wijst het verzoek 29-10-2014 af omdat de gevraagde maatregelen onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen (Vo. 1380/2013) en deze ook effect zouden hebben op vissers uit andere EULS. Verzoeker gaat 27-01-2015 in beroep.

Bij de verwijzende DUI rechter (Verwaltungsgericht Köln) wijst verzoeker erop dat DUI zijn verplichtingen uit RL 92/43 moet nakomen, zoals onder meer blijkt uit overwegingen 2 en 11 en de artikelen 2, lid 1, en 5, onder j). De verwijzende rechter heeft daarvoor verduidelijking nodig van het begrip ‘instandhoudingsmaatregel’ (artikel 11 van Vo. 1380/2013) omdat de Vo. daarvan geen definitie geeft maar wel een niet-uitputtende opsomming van maatregelen in artikel 7. Voor het geval de gevraagde maatregelen geen instandhoudingsmaatregelen mochten vormen, zou Vo. 1380/2013 niet in de weg staan aan toewijzing van de vordering. Daarnaast heeft hij vragen over het begrip ‘unievissersvaartuig’, de ‘doelstellingen’ van artikel 11.1 van de Vo. en of een LS mag optreden op grond van de wetten ter uitvoering van RL 2004/35 (milieuaansprakelijkheid). Verder wijst hij nog op de in VWEU artikel 3.1 d genoemde exclusieve bevoegdheid van de EU. De aan het HvJEU voorgelegde vragen luiden als volgt:

1. Moet artikel 11 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan maatregelen van een lidstaat voor onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende wateren die noodzakelijk zijn voor de nakoming van verplichtingen van de lidstaat op grond van artikel 6 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, die gevolgen hebben voor vissersvaartuigen van andere lidstaten en waarmee in Natura 2000-gebieden beroepsmatige zeevisserij met gebruikmaking van vanginstrumenten die de zeebodem raken en van geankerde kieuwnetten (“kieuwnetten, warnetten”) volledig wordt verboden?

Meer in het bijzonder:

a) Moet artikel 11 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het begrip “instandhoudingsmaatregelen” de in de eerste vraag bedoelde vangmethoden omvat?

b) Moet artikel 11 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat onder het begrip “vissersvaartuigen van andere lidstaten” mede vallen vissersvaartuigen van een andere lidstaat die onder de Bondsvlag van de lidstaat Bondsrepubliek Duitsland varen?

c) Moet artikel 11 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het begrip “de doelstellingen verwezenlijken van de toepasselijke wetgeving van de Unie” zich mede uitstrekt tot door de lidstaat getroffen maatregelen die de in de daar vermelde Unievoorschriften genoemde doelstellingen enkel bevorderen?

2. Moet artikel 11 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan maatregelen van een lidstaat voor onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende wateren die noodzakelijk zijn voor de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade?

3. Voor het geval de eerste en de tweede vraag alternatief of cumulatief ontkennend moeten worden beantwoord: Staat de uitsluitende bevoegdheid van de Europese Unie op het gebied van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder d), VWEU eraan in de weg dat de lidstaat bovengenoemde maatregelen treft?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZ, IenM

Gerelateerde documenten