C-685/16 EV

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   06 maart 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       20 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   20 april 2017

Trefwoorden: vrij kapitaalverkeer; dividenduitkering; gelijke behandeling

Onderwerp: - VWEU artikel 63 e.v. (vrij kapitaalverkeer)

Verzoekster, een CV op aandelen is ‘fiscale eenheidsmoeder’ van een wereldwijd concern waaronder ‘R’ GmbH, een holding waarvan zij alle aandelen bezit. R heeft op haar beurt alle aandelen in HAP Ltd, een kapitaalvennootschap naar Australisch recht, de controlerende holding voor Azië en Australië. In 2009 krijgt HAP van haar Filipijnse dochter ‘H’ een winstuitkering. HAP keert in 2009 een bedrag aan R uit, bestaande uit het door H betaalde bedrag en een winstuitkering over verschillende jaren.
Na een inspectie door verweerster (belastingdienst) was zij van oordeel dat bij de bedrijfswinst van verzoekster het door HAP uitgekeerde bedrag moest worden meegerekend, met uitzondering van het dividend dat door H aan HAP was uitgekeerd, omdat aan de in de Wet op de bedrijfsbelasting 2002 gestelde voorwaarden voor een uitzondering op de toerekening niet was voldaan. Verzoekster heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

De verwijzende DUI rechter (Finanzgericht Münster) stelt vast dat op grond van nationaal recht het beroep zou moeten worden verworpen, met name omdat vermindering van de winst van een GmbH met de volledige dividenduitkering van HAP niet op de bedrijfsbelastingwet kan worden gebaseerd. De leiding en zetel bevinden zich buiten het toepassingsgebied van de wet en (HAP en H) liggen niet in dezelfde staat. R is dan ook geen ‘Landesholding’, en ook aan de overige voorwaarden wordt niet voldaan. De verwijzende rechter twijfelt of de bepaling (§ 9, lid 7) van de DUI wet verenigbaar is met het vrije kapitaalverkeer (dat zich volgens arrest C-282/12 ook uitstrekt tot de deelneming van een onderneming in het kapitaal van andere kapitaalvennootschappen). Het moet volgens het HvJEU enkel gaan om deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. In DUI recht gaat het om een minimumdeelname van 15% hetgeen de verwijzende rechter te weinig acht om van invloed te kunnen spreken. Er is sprake van beperking van het kapitaalverkeer: uiteindelijk worden binnenlandse dochters en buitenlandse vaste inrichtingen gelijk behandeld, terwijl voor winstaandelen van buitenlandse dochters slechts onder de strengere voorwaarden van § 9, lid 7, van de DUI wet een vermindering voor de bedrijfsbelasting toelaatbaar is. Hij legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:

“Moeten de bepalingen over het vrije kapitaal- en betalingsverkeer van de artikelen 63 en volgende VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de regeling van § 9, lid 7, van het Gewerbesteuergesetz 2002, in de versie van het Jahressteuergesetz 2008 van 20 december 2007 (BGBl. I 2007, 3150), op grond waarvan voor de vermindering voor de heffing van de bedrijfsbelasting van de winst en de verhogingen met opbrengsten uit deelnemingen in een kapitaalvennootschap waarvan de leiding en de zetel zich buiten de Bondsrepubliek Duitsland bevinden, strengere voorwaarden gelden dan voor de vermindering van de winst en de verhogingen met opbrengsten uit deelnemingen in een niet van belasting vrijgestelde binnenlandse kapitaalvennootschap of met het deel van de bedrijfswinst van een binnenlandse onderneming dat onder een niet in het binnenland gelegen vaste inrichting betrekking heeft?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-101/05 A; C-35/11 Test Claimants; C-47/12 Kronos; C-282/12 Itelcar; C-686/13 X;

Specifiek beleidsterrein: FIN

 

Gerelateerde documenten