C-69/17 Gamesa Wind România

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   3 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       20 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   20 mei 2017

Trefwoorden: btw; neutraliteitsbeginsel; evenredigheidsbeginsel

Onderwerp: richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Verzoekster is een handelsvennootschap naar ROE recht (windparken). In het kader van haar bedrijf neemt zij van diverse zowel in ROE als in overige EULS gevestigde en voor btw geregistreerde bedrijven goederen en diensten af. Per 07-10-2010 wordt verzoekster door de belastingdienst (verweerster) als inactieve belastingplichtige aangemerkt wegens niet-nakoming van de aangifteverplichtingen. Per 25-05-2011 is verzoekster weer actief verklaard. In de periode 26-11-2014 – 29-07-2015 krijgt verzoekster btw-controle over de periode 15-05-2009 – 31-12-2013. Bij besluit van 07-08-2015 wordt verzoekster als gevolg van de inactiefverklaring belastingaftrek geweigerd en een nadere aanslag opgelegd. Verzoekster zou (conform de ROE belastingwet) geen recht hebben op aftrek. Verzoekster maakt bezwaar dat wordt afgewezen, waarna zij beroep instelt bij de verwijzende rechter. Zij stelt dat zij haar hoedanigheid van belastingplichtige door de inactiefverklaring niet verliest omdat zij haar economische activiteit heeft voortgezet en de verplichting btw te innen en af te dragen blijft voortbestaan. Het besluit van verweerster is dan ook in strijd met het neutraliteitsbeginsel. Verweerster beroept zich op C-132/06 CIE/ITA (beoordelingsvrijheid EULS om passende maatregelen vast te stellen om volledige inning btw te waarborgen). Het door verzoekster aangehaalde arrest C-183/14 acht verweerster niet van toepassing

De verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Boekarest) heeft nadere uitleg nodig van RL 2006/112 of de tijdelijke inactiviteit van verzoekster leidt tot verval van recht op btw-aftrek zoals door verweerster gesteld. Hij concludeert dat ROEaut deze maatregel heeft genomen (met name) om fraude te voorkomen. Hij vraagt zich dan af of die maatregel in de omstandigheden van de onderhavige zaak in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de neutraliteit van de btw. Hij verwijst in dit verband naar artikel 9 van RL 2006/112, en de arresten C-324/11 C-183/14. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Verzet richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (in het bijzonder de artikelen 213, 214 en 273) zich in omstandigheden als in het hoofdgeding tegen een nationale regeling of een belastingpraktijk volgens welke een belastingplichtige geen recht heeft op aftrek van de btw via verschillende btw-aangiften na de reactivering van het btw-identificatienummer van de belastingplichtige, op grond dat de betrokken btw verband houdt met aankopen in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer van de belastingplichtige inactief was?

2) Verzet richtlijn 2006/112 (in het bijzonder de artikelen 213, 214 en 273) zich in omstandigheden als in het hoofdgeding tegen een nationale regeling of een belastingpraktijk volgens welke een belastingplichtige geen recht heeft op aftrek van de btw via verschillende btw-aangiften na de reactivering van het btw-identificatienummer van de belastingplichtige, op grond dat de betrokken btw – ook al heeft zij betrekking op facturen die zijn uitgereikt na de reactivering van het btw-identificatienummer van de belastingplichtige – verband houdt met aankopen in het tijdvak waarin het btw-identificatienummer inactief was?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-132/06 CIE/ITA; C-324/11 Toth; C-183/14 Salomie et Oltean

Specifiek beleidsterrein: FIN