C-70/17 Abanca Corporación Bancaria

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   3 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       20 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   20 mei 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken

Onderwerp: richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb 1993, L 95, blz. 29);

Verweerder (consument) heeft 30-05-2008 een hypothecaire lening afgesloten voor een bedrag van € 100.000, af te betalen in 30 jaar. Eén van de bedingen in de overeenkomst betreft de mogelijkheid tot vervroegde beëindiging door de kredietinstelling. Verweerder stelt een vordering in tot nietigverklaring van verschillende algemene voorwaarden van de leningsovereenkomst op grond dat het oneerlijke bedingen betrof waarover niet was onderhandeld, waaronder onder meer het beding inzake vervroegde opeisbaarheid. De Rb stelt verweerder in het gelijk, waarna verzoekster in beroep gaat bij de regionale Rb Pontevedra die het vonnis bevestigt. De zaak ligt nu voor bij de hoogste SPA rechter.

De verwijzende SPA rechter (Hooggerechtshof) benadrukt dat er niet automatisch en in alle gevallen van kan worden uitgegaan dat de beslissing om de hypothecaire executie voort te zetten, nadeliger uitvalt voor de consument. Inleiding van een declaratoire procedure bij in gebreke blijven van de schuldenaar (zijnde een wettelijk recht) heeft als nadelig gevolg voor de consument een voorzienbare aaneenschakeling van veroordelingen tot betaling proceskosten en hogere vertragingsrente door de duur van de procedure. Bijgevolg is de in het SPA BRv in artikel 695.4 bedoelde beëindiging van de bijzondere procedure van hypothecaire executie niet altijd een betere oplossing voor de schuldenaar-consument. Gezien de snelheid van de bijzondere executieprocedure heeft deze ook voor banken voordelen. Maar tegenover de nadelen van de declaratoire procedure voor de banken staan geen voordelen voor de consumenten. Hypotheekrecht geeft ook in SPA Bw een voorrangspositie aan de schuldeiser en een recht van separatisme bij faillissement. In geval van nietigheid van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid vervallen de rechten van de hypothecaire schuldeiser niet volledig, maar wel wordt een essentieel aspect van het hypotheekrecht beperkt, namelijk de macht om de verkoop van het verhypothekeerde goed af te dwingen om zich te voldoen uit de opbrengst daarvan. De verwijzende rechter wijst op de grote vlucht van hypothecaire leningen sinds 1995 door de lage rentestand. Het risico op niet-terugbetaling van deze leningen is lager dan bij gewone kredieten. Het SPA hypothecair stelsel leidt tot minder wanbetalingen juist omdat dit de kredietverstrekkers mogelijk maakt gedwongen betaling van het krediet te eisen door middel van de executieprocedure. De onmogelijkheid om leningen in het kader waarvan de schuldenaar zijn betalingsverplichting niet nakomt, in te vorderen via de bijzondere procedure van hypothecaire executie, kan leiden tot een daling van de krediettoezeggingen en leningen duurder maken, zodat het bijzonder moeilijk wordt om nog een eigen woning te verwerven. Ook de EURCIE heeft die vrees gedeeld in haar witboek van 2007 over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet. Uit de SPA gerechtelijke statistieken blijkt dat tussen 2009 en 2015 587.995 bijzondere procedures van hypothecaire executie zijn gestart. In bijna al die procedures maakte de kredietgever die werd geconfronteerd met wanbetaling gebruik van de mogelijkheid om de lening vervroegd opeisbaar te verklaren. Dat laat volgens de verwijzende rechter zien dat het in SPA algemeen bekend is dat een relevante gedeeltelijke niet-nakoming van de aflossingsverplichting kan leiden tot ontbinding van de leningsovereenkomst en het vervroegd opeisbaar worden van de verschuldigde bedragen. Gezien de criteria die het HvJEU in C-415/11 heeft geformuleerd om het mogelijke oneerlijke karakter van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid te toetsen legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat het een nationale rechter die het oneerlijke karakter beoordeelt van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid in een met een consument gesloten hypothecaire leningsovereenkomst dat, naast andere gevallen van niet-betaling van meerdere termijnen, bepaalt dat de lening opeisbaar wordt wanneer één termijn onbetaald is gebleven, de mogelijkheid biedt om uitsluitend het oneerlijke karakter van de passage of het geval van niet-betaling van één termijn vast te stellen, en de eveneens algemeen in dat beding vervatte regeling inzake vervroegde opeisbaarheid wegens niet-betaling van termijnen als geldig te beschouwen, los van het feit dat de geldigheid of de oneerlijkheid eerst concreet kan worden beoordeeld wanneer de schuldeiser zijn recht uitoefent?

2) Staat richtlijn 93/13 het een nationale rechter toe – nadat hij heeft vastgesteld dat een beding inzake vervroegde opeisbaarheid van een hypothecaire lening of een hypothecair krediet oneerlijk is – zich op het standpunt te stellen dat het voor de consument gunstiger is om aanvullend een bepaling van nationaal recht toe te passen, ook al voorziet die in de inleiding of de voortzetting van de executieprocedure tegen de consument, dan de bijzondere procedure van hypothecaire executie te beëindigen en de schuldeiser toe te staan om ontbinding van de lenings- of kredietovereenkomst te verzoeken of betaling van de verschuldigde bedragen te vorderen en het vonnis vervolgens ten uitvoer te leggen, zonder dat in dit kader de voordelen gelden waarin de bijzondere procedure van hypothecaire executie voor de consument voorziet?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-415/11 Aziz; C-482/13 - C-487/13 Unicaja Banco e.a; C-421/14 Banco Primus;

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ