C-74/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   4 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       21 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   21 mei 2017

Trefwoorden: luchtvaart; compensatieregeling luchtvaartpassagiers; recht op ‘verdere compensatie’

Onderwerp: verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (Pb 2004, L 46, blz. 1).

Verzoeker heeft voor 30-05-2016 een bevestigde boeking voor een vlucht met German Wings (verweerster) van Marseille naar Düsseldorf. De vlucht wordt geannuleerd en verweerster biedt geen alternatief vervoer. Verzoeker regelt zelf zijn terugreis per trein/auto en declareert de daarvoor gemaakte kosten bij verweerster en eist daarnaast compensatie wegens de annulering.

De verwijzende DUI rechter (Amtsgericht Düsseldorf) twijfelt over de uitleg van artikel 12.1 en artikel 8 van Vo. 261/2004. Heeft verzoeker recht op terugbetaling van de door hem gemaakte vervoerskosten op grond van artikel 8 van de Vo. of voor beide geëiste bedragen op grond van nationaal recht? Hij vraagt zich ook af of het recht op terugbetaling van de kosten voor het alternatief vervoer overeenkomstig artikel 12.1 van de Vo. met het recht op compensatie moet worden verrekend, gelezen het oordeel van het HvJEU in C-83/10 (artikel 12 is geen basis voor ‘verdere compensatie’). Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

I. Dient artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 [van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1)] aldus te worden uitgelegd dat de aldaar genoemde “rechten op verdere compensatie” slechts rechten betreffen die op rechtsgrondslagen buiten de verordening zijn gebaseerd?

II. a. Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord, dient artikel 8 van verordening nr. 261/2004 dan aldus te worden uitgelegd dat wanneer een luchtvaartmaatschappij de in de leden 1 en 2 van dit artikel bepaalde diensten niet verricht, uit dat artikel voor de passagier een eigen recht op compensatie wegens het niet verrichten van de genoemde diensten voortvloeit, en, zo ja, omvat dit recht ook de terugbetaling van de kosten van een door de passagier zelf georganiseerd ander vervoer tot op zijn eindbestemming?

aa. Indien vraag a. bevestigend wordt beantwoord, wordt het recht op compensatie voor het door de passagier zelf georganiseerd alternatief vervoer dan verrekend in de zin van artikel 12, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 261/2004?

b. Indien vraag I bevestigend wordt beantwoord, en het nationale recht een regeling bevat op grond waarvan een passagier wegens niet-nakoming van de verplichting van artikel 8 van de verordening ten aanzien van de luchtvaartmaatschappij recht heeft op terugbetaling van de kosten die hem zijn opgekomen doordat hij zelf voor alternatief vervoer heeft gezorgd, wordt dit nationale recht op compensatie dan verrekend overeenkomstig artikel 12, lid 1, tweede zin, van de verordening?

c. Indien het antwoord op vraag II.a. of II.b. luidt dat een verrekening overeenkomstig artikel 12, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 261/2004 dient plaats te vinden, dient artikel 12 dan aldus te worden uitgelegd dat de verrekening automatisch plaatsvindt, zonder dat de vergoedingsplichtige partij dit moet inroepen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-83/10 Sousa Rodriguez e.a.

Specifiek beleidsterrein: IenM, EZ