C-76/17 Petrotel-Lukoil

   Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   4 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       21 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   21 mei 2017

Trefwoorden: douaneunie; heffing van gelijke werking

Onderwerp: VWEU artikel 30 (douaneunie)

In ROE is een speciaal fonds voor aardolieproducten opgericht dat wordt gevoed door bijdragen uit een opslag per liter export gedistribueerde aardolieproducten, benzine en gasolie. Verzoekster Petrotel heeft voor de periode 2007 – 2010 een bedrag aan het fonds betaald, maar het op 29-06-2010 alsnog teruggevorderd omdat de heffing (door toetreding in 2007 tot de EU) in strijd zou zijn met VWEU artikel 30. MinEZ weigert teruggaaf: de geïnde bedragen vormen geen douanerecht of heffing van gelijke werking. Verzoekster gaat in beroep bij het Hof van Beroep Boekarest waar zij stelt dat ROE niet gerechtigd is de bedragen te innen. Zij eist nietigverklaring van het besluit tot weigering. De rechter verwerpt 12-10-2011 het beroep, in hoofdzaak met de overweging dat verzoekster overeenkomstig het arrest van het HvJEU in de zaken C-192/95 tot en met C-218/95, Comateb e.a., geen nadeel kon inroepen omdat het betrokken bedrag, doordat het was opgenomen in de verkoopprijs, was afgewenteld op de afnemers van de betrokken aardolieproducten. Verzoeksters beroep in cassatie wordt 22-10-2013 gehonoreerd en de zaak wordt terugverwezen naar het Hof van Beroep. Uit nader onderzoek blijkt vervolgens dat verzoekster de bijdragen niet in de verkoopprijs heeft opgenomen maar uit eigen middelen heeft betaald. Maar gezien het de wens van de wetgever was dat de last van de heffing zou rusten op de verkrijger van de producten (en verzoekster daaraan niet heeft voldaan) heeft verzoekster naar oordeel van de rechter toch geen recht op teruggaaf. De zaak ligt nu opnieuw voor bij het Hof van Cassatie.

Bij de verwijzende ROE rechter (Hof van Cassatie) stelt verzoekster dat het feit dat de belasting door haarzelf is betaald voor haar recht op teruggaaf irrelevant is aangezien de bedragen in strijd met EUrecht zijn geïnd. De verwijzende rechter is van oordeel dat ingevolge de aan de orde zijnde nationale wettelijke voorschriften een heffing op uitgevoerde aardolieproducten rust die in de prijs van die producten is inbegrepen, aangezien de verplichting om de heffing te berekenen en de betrokken bedragen te betalen rust op de in ROE bewerkende ondernemingen. Verzoekster heeft uit concurrentieoverwegingen besloten de heffing zelf te voldoen. De rechter oordeelt dat het hier om een heffing van gelijke werking als een douanerecht gaat: een geldelijke last, eenzijdig opgelegd door de bevoegde instanties van een LS en toegepast wegens het feit dat goederen een grens overschrijden. Om de zaak te kunnen beslissen legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Staat het bepaalde in artikel 30 VWEU in de weg aan een uitlegging volgens welke de belastingplichtige die feitelijk de last van een heffing van gelijke werking heeft gedragen, teruggaaf van de uit hoofde van die heffing betaalde bedragen kan vorderen, ook wanneer volgens het mechanisme voor de betaling van de heffing deze laatste moet worden afgewenteld op de Europese consument?
2) Is teruggaaf van de bedragen die zijn geïnd als heffing van gelijke werking verenigbaar met de bepalingen van gemeenschapsrecht wanneer de last van de heffing niet wordt afgewenteld op de consument maar feitelijk rust op de belastingplichtige?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN, EZ